• Gratis verzending
  • Voor 20:00 besteld, morgen in huis
  • 14 dagen bedenktijd

Tag: Tekentechnieken

  • Pastelkrijt tekening maken: stappenplan voor beginners met zacht pastel

    Pastelkrijt tekening maken: stappenplan voor beginners met zacht pastel

    Een pastelkrijt tekening maak je door droog pigment in de vorm van krijt direct op papier aan te brengen, in lagen van licht naar donker, en kleuren op het papier te mengen met je vinger of een wisser. Je kiest papier met een lichte korrel, begint met een eenvoudige schets, bouwt de kleuren op en beschermt het resultaat met fixatief of een lijst. Daarmee maak je in één middag een tekening die schildert en tekent tegelijk.

    Een pastelkrijt tekening zit tussen tekenen en schilderen in. Je tekent met een stift, maar je bereikt rijke kleuren en zachte overgangen die op een schilderij lijken. Voor beginners is dat prettig, omdat je niet hoeft te wachten tot verf droogt en geen water of penselen nodig hebt. Het is wel een rommelig materiaal: het stuift en vlekt, dus een schort en een vaste werkplek helpen. Wil je eerst de basis van tekenen oefenen? Lees leren tekenen. Meer over de materialen zelf staat in onze pagina over pastelkrijt.

    Kort samengevat

    • Pastelkrijt is gemalen pigment met een bindmiddel. Zacht pastel kleurt rijk en meng je makkelijk, hard pastel is voor lijnen.
    • Gebruik papier met een lichte korrel (tand), zodat het pigment blijft zitten.
    • Werk in lagen: licht naar donker, groot naar klein.
    • Meng met je vinger of een wisser, maar niet te veel.
    • Fixeer licht of lijst de tekening achter glas, met afstand tot het papier.

    Wat is pastelkrijt?

    Volgens Wikipedia is pastel een kunstmedium van gemalen pigment dat met een bindmiddel is samengebracht tot staafjes, vierkantjes, kiezels of in pannetjes. Het wordt droog aangebracht, en het kleureffect komt dichter bij het natuurlijke droge pigment dan bij enig ander procedé. Er zijn verschillende soorten:

    • Zacht pastel is de meest gebruikte soort. Het bevat meer pigment en minder bindmiddel, mengt makkelijk, maar stuift en heeft fixatief of een lijst nodig.
    • Hard pastel heeft meer bindmiddel en minder pigment. Het is geschikt voor fijne lijnen en voorschetsen, maar de kleuren zijn minder briljant.
    • Pastelpotloden zijn potloden met een pastelkern, handig voor details.
    • Oliepastel is boterachtig en intens van kleur, heeft geen fixatief nodig en kan met terpentine worden verdund.
    • Pan pastel is in platte schaaltjes geperst en wordt met sponsjes aangebracht.
    • Wateroplosbaar pastel laat zich met water tot doorschijnende laagjes verdunnen.

    Voor een eerste pastelkrijt tekening is een kleine set zacht pastel in 12 tot 24 kleuren een goed begin, aangevuld met een paar harde stiften voor lijnen. Het is geen krijt voor een schoolbord, al wordt dat in het Nederlands wel door elkaar gebruikt: pastelkrijt is pigment, schoolbordkrijt niet. Wikipedia noemt krijt of gips als vulmiddel in sommige pastels, dus krijt is een ingrediënt en niet het medium zelf.

    Wat heb je nodig voor een pastelkrijt tekening?

    • Een set zacht pastel. Begin met 12 tot 24 kleuren. Goedkopere sets zijn prima om te oefenen.
    • Papier met tand. Dat is papier met een lichte korrel waarin het pigment blijft haken. Pastelpapier, gekleurd tekenpapier of een stevig, iets ruw tekenpapier werkt. Glad kopieerpapier is niet geschikt, want de kleur blijft er niet op zitten.
    • Een voorstudie op potlood of hard pastel.
    • Een wisser of een vinger om te mengen. Een stukje keukenrol of een schoon doekje is handig.
    • Een kneedgum om lichte plekken terug te halen.
    • Fixatief (optioneel). Wikipedia beschrijft het als een spuitlak die losse deeltjes vastlegt zodat ze minder snel smeren. Het kan het smeren niet helemaal voorkomen zonder de kleuren dof te maken, en kan na verloop van tijd verkleuren. Sommige kunstenaars laten het weg en vertrouwen op de tand van het papier.
    • Een schort, kranten en een doekje. Pastel stuift.
    • Een lijst met passe-partout voor als je klaar bent.
    Zachte pastelkrijtjes met papier, wisser en vloeier
    Pastelpapier met wat structuur houdt het krijt vast.

    Teken staand of schuin aan een ezel als je kunt. Dan valt het stof van het papier af in plaats van erop. Zit je aan tafel, houd de tekening dan een beetje schuin. Droog werken is een voordeel, maar adem het stof niet in: werk in een ruimte met wat ventilatie. Maak je graag grote tekeningen, dan is een schildersezel een prettig hulpmiddel, hoewel het ook zonder gaat.

    Stap 1: een onderwerp en papier voor je pastelkrijt tekening

    Begin met iets eenvoudigs: een stilleven met drie voorwerpen, een enkele bloem, een lucht of een eenvoudig landschap. Zoek een foto of een echt voorbeeld. Een lucht bij zonsondergang is een klassieke eerste oefening, omdat je met zachte overgangen kunt werken zonder dat het onderwerp precies hoeft te kloppen.

    Kies de kleur van je papier bewust. Gekleurd papier werkt als middentoon: een middelgrijs of warmbruin papier geeft je tekening meteen een stemming en bespaart werk, omdat je alleen de lichte en donkere plekken hoeft aan te brengen. Wit papier is ook goed, maar je moet dan alle kleuren zelf opbouwen.

    Stap 2: maak een lichte schets

    Schets met hard pastel of een zacht potlood. Teken de grote vormen licht, zoals je ook bij andere tekeningen doet: ovalen, blokken, horizon. Druk niet hard, want pastel dekt over lichte lijnen heen en een zware potloodlijn schemert door. Gebruik een kleur die licht is, zoals lichtgrijs of lichtblauw.

    Bekijk je schets even van een afstand. Staat alles op het papier? Is de verdeling in orde? Pas nu aan, want als de pastel erop zit, is het lastiger te herstellen.

    Stap 3: de achtergrond van je pastelkrijt tekening

    Werk van groot naar klein, van achter naar voor. Begin met de lucht, de achtergrond of de grote kleurvlakken. Gebruik de platte kant van een stukje pastel (breek een staafje doormidden) voor brede vlakken. Voor een lucht maak je horizontale streken, van donkerblauw bovenin naar lichtgeel of roze bij de horizon.

    Begin licht. Pastel kun je donkerder maken, maar het weghalen van te veel pigment is lastig. Leg in dun lagen op elkaar en laat het papier meeprinten door de tand. Teken in de richting van de vorm: horizontale streken voor water en lucht, verticale voor gras, gebogen voor een bol.

    Stap 4: meng en bouw lagen op in je pastelkrijt tekening

    Mengen is wat pastel zo mooi maakt. Veeg met je vinger, een wisser of een stukje keukenrol over twee aangrenzende kleuren, zodat ze in elkaar overlopen. Een zachte overgang, zoals in een lucht, krijg je zo in een paar seconden.

    Een vinger mengt pastelkrijt in een lucht
    Meng met je vinger of een vloeier.

    Meng niet alles. Te veel mengen maakt je tekening vlak en modderig, omdat de kleuren hun helderheid verliezen. Laat plekken staan waar je de streken ziet, want die geven de tekening leven. Een goede balans is zachte overgangen in de achtergrond en zichtbare streken op de voorgrond.

    Bouw lagen op. Leg een tweede kleur over de eerste, zonder te mengen: de kleur eronder schemert door en geeft diepte. Je kunt licht over donker leggen, wat bij andere media lastig is. Zo bouw je een rijk kleurbeeld op. Meer over lagen en toonwaarden lees je in realistisch tekenen.

    Stap 5: voeg details en accenten toe

    Pas als vorm en kleur kloppen, komen de details. Gebruik hard pastel of een pastelpotlood voor fijne lijnen: grassprieten, takken, de rand van een bloemblaadje. Zet de lichtste lichten als laatste, met een stukje wit of lichtgeel pastel, en de donkerste accenten als laatste daarna. Zo blijven ze fris en overheersen ze niet.

    Houd details beperkt. Een pastelkrijt tekening wint aan kracht door grote, zachte vlakken met een paar scherpe accenten. Wie alles scherp maakt, krijgt een onrustig geheel. Kijk regelmatig even op afstand, zodat je het geheel ziet.

    Stap 6: bescherm je pastelkrijt tekening

    Pastel blijft los op het papier liggen en smeert makkelijk. Daarom heeft elke tekening bescherming nodig. Wikipedia beschrijft fixatief als een spuitvernis dat losse deeltjes vastzet, met de kanttekening dat het smeren niet helemaal wordt voorkomen en kleuren dof kan maken. Spuit daarom licht, vanaf een afstand van zo’n 30 centimeter, en bij voorkeur tussen de lagen of aan het eind. Dit is een praktische richtwaarde. Haarlak wordt afgeraden.

    Een pastelkrijt tekening wordt met fixeer ingespoten
    Fixeer houdt het krijt op zijn plek.

    Een andere manier is lijsten. Zet de tekening achter glas, met een passe-partout zodat het glas niet op het pigment rust. Volgens dezelfde bron moet het glas bij ingelijste werken uit de buurt van het oppervlak blijven. Leg tijdelijk een vel vloeipapier of bakpapier over je tekening als je haar opbergt, en bewaar haar plat.

    Pastel in de geschiedenis van het tekenen

    Pastel is geen nieuwe uitvinding. Wikipedia meldt dat de productie van pastel naar verluidt in de vijftiende eeuw begon en dat Leonardo da Vinci het medium in 1499 leerde kennen via Jean Perréal. In de achttiende eeuw werd pastel populair voor portretten, bijvoorbeeld bij Rosalba Carriera en Maurice Quentin de La Tour. Na de Franse Revolutie raakte het in Frankrijk uit de gratie en keerde het halverwege de negentiende eeuw terug, door Millet, Manet en vooral Degas.

    Dat past bij de plaats van pastel in het brede veld van de tekenkunst. Volgens Wikipedia behoren pastels samen met grafietpotlood, houtskool en Conté tot de droge tekenmaterialen. Voor jou als beginner is dat een nuttig gegeven: alles wat je over lijnen, vormen en toonwaarden leert met potlood, werkt ook met pastel. Je hoeft niets opnieuw te leren, alleen een nieuw materiaal te leren kennen. Wie al wat ervaring heeft met potlood, voelt zich snel thuis bij een pastelkrijt tekening, omdat de manier van lagen opbouwen en kijken dezelfde blijft.

    Pastelkrijt tekening: onderwerpen om mee te oefenen

    Een paar onderwerpen die goed werken voor beginners:

    1. Een zonsondergang. Vlakken en zachte overgangen, geen precisie nodig.
    2. Een stilleven met fruit. Een appel en een peer, met een lichtbron.
    3. Een bloem. Een grote, eenvoudige bloem als een zonnebloem of klaproos.
    4. Een zee of meer. Horizontale lagen en weerspiegeling.
    5. Een dier. Een zachte vacht komt goed tot zijn recht in pastel. Combineer met de aanpak uit dieren tekenen.
    6. Een portret. Voor gevorderden: huidtonen in pastel zijn mooi, maar vragen om oefening. Zie portret tekenen.

    Een leuk idee is ook een stijl in het kleurrijke gebied van manga tekenen: een eenvoudige figuur met pastelkleuren kan er prachtig uitzien.

    Veelgemaakte fouten bij een pastelkrijt tekening

    • Gladde papiersoort. Zonder tand blijft de pastel er niet op zitten.
    • Te hard drukken in de eerste lagen. Dan raakt de tand vol en kun je geen nieuwe lagen meer opbouwen.
    • Te veel mengen. Kleuren worden modderig. Laat streken zichtbaar.
    • Eerst de details. Werk van groot naar klein.
    • Te veel fixatief. Het maakt kleuren dof. Spuit licht.
    • Met je hand door de tekening wrijven. Leg een blaadje papier onder je hand.
    • Geen bescherming. Een onbeschermde tekening smeert snel.

    Veelgestelde vragen over een pastelkrijt tekening

    Wat is pastelkrijt?

    Pastelkrijt is een droog tekenmateriaal van gemalen pigment met een bindmiddel, in de vorm van staafjes of potloden. Zacht pastel mengt makkelijk en kleurt rijk, hard pastel is geschikt voor lijnen. Het is geen schoolbordkrijt, maar kunstenaarsmateriaal.

    Welk papier gebruik je voor een pastelkrijt tekening?

    Papier met een lichte korrel (tand), zodat het pigment blijft zitten. Pastelpapier of stevig, iets ruw tekenpapier werkt goed, gekleurd papier zorgt voor een middentoon. Glad papier is niet geschikt, want de pastel blijft er niet op zitten.

    Moet je pastelkrijt fixeren?

    Dat hoeft niet altijd. Fixatief zet losse deeltjes vast, maar kan kleuren dof maken en na verloop van tijd verkleuren. Sommige kunstenaars laten het weg en vertrouwen op de tand van het papier. Bescherm je tekening in elk geval met een lijst achter glas.

    Hoe meng je pastelkrijt?

    Met je vinger, een wisser of een stukje keukenrol. Veeg over twee aangrenzende kleuren zodat ze in elkaar overlopen. Meng niet alles, want te veel mengen maakt de tekening vlak en modderig. Laat streken zichtbaar op de voorgrond.

    Hoe voorkom je dat een pastelkrijt tekening smeert?

    Spuit licht fixatief, werk met zo min mogelijk aanraking en leg een los blaadje onder je hand. Bewaar de tekening plat met een vel vloeipapier eroverheen, of zet haar achter glas met een passe-partout, zodat het glas het pigment niet raakt.

    Wat is het verschil tussen zacht en hard pastel?

    Zacht pastel heeft meer pigment en minder bindmiddel, mengt makkelijk en kleurt rijk, maar stuift en heeft bescherming nodig. Hard pastel heeft meer bindmiddel, is geschikt voor fijne lijnen en voorschetsen, maar kleurt minder briljant.

    Is pastelkrijt geschikt voor beginners?

    Ja. Je hebt geen water of penselen nodig en je ziet meteen resultaat. Het is wel rommelig, dus een schort en een vaste plek helpen. Begin met een kleine set en een eenvoudig onderwerp, zoals een lucht.

    Hoe lang duurt een pastelkrijt tekening?

    Een eenvoudige tekening van een lucht of een stilleven kost een beginner een uur of twee. Grotere of gedetailleerde werken kosten meerdere sessies. Dit zijn richtwaarden. Je hoeft niet te wachten op droogtijd, dus je kunt direct verder.

    Verder lezen over tekenen

    Je hebt nu een stappenplan voor een pastelkrijt tekening. Lees verder:

  • Dieren tekenen schattig: kawaii-dieren in 5 stappen met ronde vormen

    Dieren tekenen schattig: kawaii-dieren in 5 stappen met ronde vormen

    Dieren tekenen schattig begint met een grote ronde kop op een klein, bol lijf. Daarna volgen grote ogen die laag en ver uit elkaar staan, een heel kleine neus en mond, korte pootjes en een zachte, ronde omtrek. Met die vijf ingrediënten maak je van een kat, hond, konijn of panda in een paar minuten een kawaii-figuurtje dat iedereen aaibaar vindt.

    Het mooie is dat je daar geen diepe kennis van anatomie voor nodig hebt. Je vereenvoudigt juist: minder lijnen, rondere vormen, overdreven verhoudingen. Daarom is het een goede stijl voor beginners en voor wie even iets speels wil tekenen. Wil je liever een realistisch dier, lees dan eerst dieren tekenen. Voor de basis van lijnen en vormen zie leren tekenen.

    Kort samengevat

    • Maak de kop groot en rond, het lijf klein en bol, en de pootjes kort.
    • Zet de ogen groot, laag en ver uit elkaar. Voeg een witte lichtreflectie toe.
    • Teken de neus en mond heel klein.
    • Gebruik zachte, ronde lijnen en weinig details.
    • Kies een eenvoudig kleurenpalet met zachte tinten.

    Waarom werkt dieren tekenen schattig zo goed?

    Wat een tekening schattig maakt, is geen toeval. Het zogenoemde kindchenschema, in 1943 beschreven door de Oostenrijkse onderzoeker Konrad Lorenz, is een reeks gezichts- en lichaamskenmerken waardoor een wezen er schattig uitziet en anderen willen verzorgen. Wikipedia noemt een grote kop in verhouding tot het lichaam, grote ogen, een hoog en rond voorhoofd, een rond gezicht met bolle wangen en een kleinere neus, mond en kaak.

    Precies die kenmerken gebruik je bij dieren tekenen schattig. Je overdrijft ze: de kop wordt nog groter, de ogen nog ronder, de neus nog kleiner. Volgens Wikipedia wekken zulke kenmerken zorgzaam gedrag op, en lieten onderzoeken zien dat mensen die schattige beelden bekeken, zorgvuldiger werden bij een precisietaak. Dat is een leuk weetje, maar belangrijker is wat het voor jou betekent: als je de kenmerken kent, kun je ze bewust inzetten.

    Het begrip kawaii komt uit Japan. Volgens Wikipedia over kawaii betekent het woord schattig of lief, en benadrukt de stijl schattigheid, kinderlijke onschuld en eenvoud, met zachte of pastelkleuren, ronde vormen en kenmerken die kwetsbaarheid suggereren, zoals grote ogen en kleine monden. Karakters als Hello Kitty, in 1974 gemaakt door Sanrio, zijn een bekend voorbeeld. Daarmee heb je ook je ontwerpregels bij elkaar.

    Wat heb je nodig voor dieren tekenen schattig?

    Heel weinig:

    • Een HB-potlood en een gum voor de schets.
    • Een fineliner in zwart of donkerbruin voor de definitieve lijn. Een dikte van 0,3 tot 0,5 mm is handig.
    • Kleurpotloden of stiften in zachte kleuren. Een set met pasteltinten is leuk.
    • Wit papier of een schetsboek.
    • Eventueel een wit gelpennetje voor lichtpuntjes in de ogen.

    Je kunt ook digitaal tekenen. De regels zijn hetzelfde, en een tablet laat je makkelijk lagen gebruiken. Zie tekenen op een tablet als je dat wilt.

    Stap 1: de grote ronde kop bij dieren tekenen schattig

    De kop is de ster. Teken een grote cirkel of een brede ovaal, bijna zo groot als het hele figuurtje. Maak hem iets breder dan hoog: een afgeplatte cirkel oogt extra aaibaar. Teken er een lichte hulplijn op, een kruis, om de plek van de ogen en neus te bepalen. Zet de horizontale lijn laag, onder het midden. Hoe lager de ogen, hoe schattiger het gezicht, want zo krijg je een groot voorhoofd.

    Een grote ronde kop met hulplijnen in potlood
    Begin met een grote ronde kop.

    Stap 2: voeg een klein, bol lijf toe

    Teken het lijf onder de kop als een kleine ovaal of ei, ongeveer de helft zo groot als de kop. Laat het lijf een beetje onder de kop vallen, zodat het lijkt alsof de kop erop rust. Teken de pootjes als kleine, dikke afgeronde vormen, zonder knieën of enkels. De armen of voorpootjes zijn korte stompjes. De staart is een ronde pluk of een korte krul.

    Houd alles zacht. Er horen geen scherpe hoeken in een schattig dier, behalve waar het dier dat nodig heeft, zoals de punten van de oren van een kat.

    Stap 3: de ogen, neus en mond

    Teken de ogen groot, rond of ovaal, laag in het gezicht en ver uit elkaar. Vul ze bijna helemaal met zwart of donkerbruin, en laat een wit lichtpuntje vrij, of twee. Dat is het ingrediënt dat het figuurtje tot leven wekt. Wil je het nog schattiger maken, voeg dan een kleine boog toe als wimper of glanslijn.

    Een schattig beertje met grote ogen laag in het gezicht
    Grote ogen laag in het gezicht maken het schattig.

    De neus is een kleine stip, driehoekje of een heel klein ovaaltje, midden op het gezicht tussen de ogen. De mond is een klein, zacht gebogen lijntje, vaak een omgekeerde w of een eenvoudige glimlach. Houd ze klein en dicht bij elkaar. Teken eventueel twee roze bolle wangen als een lichte cirkel of ovaal onder de ogen.

    Stap 4: dieren tekenen schattig per soort

    Met dezelfde basis maak je verschillende dieren. Verander alleen de details:

    • Kat: twee driehoekige oren op de kop, drie korte snorharen aan elke kant, een kleine roze neus en een gekrulde staart.
    • Hond: hangende oren als afgeronde druppels, een iets langere snuit en een kleine tong. Lees ook het stappenplan voor tekenen hond.
    • Konijn: twee lange, smalle oren, kleine voortanden en een witte pluisstaart.
    • Panda: zwarte oren en zwarte vlekken rond de ogen, een witte kop en zwarte pootjes.
    • Beer: twee kleine ronde oren, een lichte snuit en een ronde buik.
    • Vos: spitse oren, een witte wang en een grote pluizige staart.
    • Eend of kuiken: een bol lijfje, een klein oranje snaveltje en kleine vleugeltjes.
    • Walvis of zeehond: een ronde ovale vorm met een kleine staart en grote ogen.

    Elk dier is dus een variatie op dezelfde bol. Kijk ook naar dieren tekenen om te zien wat de kenmerken van het echte dier zijn, zodat je weet wat je kunt overdrijven.

    Stap 5: de omtrek, kleur en details

    Trek de lijnen over met een fineliner, in één zachte beweging per lijn. Gum de potloodlijnen weg als de inkt droog is. Voeg een paar kleine details toe: een vlekje op de vacht, een strikje, een bloemetje of een sterretje. Hou het bij één of twee, anders wordt het druk.

    Een afgemaakte schattige beer met kleurpotloden en fineliner
    Omlijn met een fineliner en kleur zacht in.

    Kleur met zachte tinten: roze, lichtblauw, crème, mintgroen, lichtgeel. Wikipedia merkt op dat kawaii vaak zachte of pastelkleuren gebruikt, meestal roze, blauw en wit. Kies er drie of vier en laat de rest wit. Een zachte schaduw onder het figuurtje, als een ovale vlek op de grond, laat het dier stevig staan.

    Dieren tekenen schattig in verschillende houdingen

    Als je de basis hebt, kun je hem in andere houdingen zetten:

    • Zittend: de kop net boven het bolle lijf, de pootjes naar voren.
    • Slapend: de ogen als twee gesloten boogjes, de kop op de pootjes of gekanteld.
    • Zwaaiend: één pootje omhoog, de ogen blij.
    • Etend: een kleine wortel, appel of koekje in de pootjes, de wangen bol.
    • Vliegend of zwevend: een wolkje of ballonnetje erbij.

    Verander de uitdrukking met de ogen en de mond: een omgekeerde boog is een glimlach, een ronde o is verbaasd, een heel klein streepje is neutraal. Meer uitdrukkingen oefen je in manga tekenen, waar vergelijkbare regels gelden.

    Een schattig dier ontwerpen met drie keuzes

    Heb je de basis onder de knie, dan kun je een eigen figuurtje bedenken in plaats van een bestaand dier na te tekenen. Dat is het leukste deel van dieren tekenen schattig, want je mixt de regels met je eigen fantasie.

    Maak drie keuzes. Kies eerst een basisvorm: een cirkel (zacht en rond), een ei (iets slanker) of een afgeplatte ovaal (extra bol). Kies daarna één kenmerk waaraan je het figuurtje herkent: grote oren, een lange staart, een bijzonder vlekje of een hoedje. Kies tot slot een uitdrukking: slaperig, verbaasd, vrolijk of nieuwsgierig. Meer is niet nodig, en een figuurtje met één duidelijk kenmerk is beter te onthouden dan een figuurtje met tien.

    Mix ook twee dieren: een kat met konijnenoren, een hond met een eendensnavel of een beer met vleugeltjes. Zulke fantasiedieren zijn een leuke manier om te oefenen, omdat er geen goed of fout bestaat. Geef elk figuurtje een naam en een kleine eigenschap. Dat maakt het meer dan een tekening, en je kunt er een serie van maken: een rij figuurtjes voor een kaart, een sticker of een bladwijzer.

    Schattige dieren combineren met een achtergrond en tekst

    Een schattig dier alleen op een wit blad is al leuk, maar een kleine omgeving maakt er een complete tekening van. Teken een paar wolkjes, sterretjes, bloemetjes of een klein blad bij het dier. Houd de achtergrond lichter en eenvoudiger dan het dier, zodat het figuurtje opvalt.

    Je kunt er ook tekst bij zetten, bijvoorbeeld een korte groet of een naam in handlettering. Een eenvoudig “dankjewel” met een schattig dier ernaast is een mooi kaartje. Voor meer over letters lees je handlettering, dat goed combineert met dit soort figuurtjes. Heb je een schrift of agenda, gebruik de figuurtjes dan als kleine versiering in je bullet journal.

    Wie het liefst rustig kleurt, kan de figuurtjes ook afdrukken of tekenen en daarna inkleuren, zoals in een kleurboek voor volwassenen. Dat is een ontspannen manier om te oefenen met zachte kleurcombinaties, zonder dat je een tekening hoeft te maken.

    Veelgemaakte fouten bij dieren tekenen schattig

    • Het lijf te groot maken. Een schattig dier heeft een grote kop en een klein lijf.
    • Ogen te dicht bij elkaar of te hoog. Zet ze laag en ver uit elkaar.
    • Te veel details. Houd het eenvoudig. Minder lijnen is schattiger.
    • Scherpe hoeken. Gebruik ronde vormen, behalve waar het dier dat nodig heeft.
    • Te felle kleuren. Kies zachte tinten.
    • Een grote mond of neus. Houd ze klein.
    • Realistische verhoudingen. Overdrijf bewust, dat is de stijl.

    Veelgestelde vragen over dieren tekenen schattig

    Hoe teken je een schattig dier?

    Maak de kop groot en rond, het lijf klein en bol en de pootjes kort. Teken grote ogen laag in het gezicht en ver uit elkaar, een kleine neus en mond en zachte ronde lijnen. Voeg een lichtpuntje in de ogen toe en kleur met zachte tinten.

    Wat maakt een tekening schattig?

    Het zogenoemde kindchenschema: een grote kop, grote ogen, een rond gezicht en een kleine neus en mond. Volgens Wikipedia zorgen deze kenmerken ervoor dat een wezen er schattig uitziet en dat mensen het willen verzorgen. Bij tekenen overdrijf je die kenmerken.

    Wat is kawaii?

    Kawaii is een Japanse term voor schattig. De stijl benadrukt schattigheid, kinderlijke onschuld en eenvoud, met zachte kleuren, ronde vormen en grote ogen. Hello Kitty, gemaakt door Sanrio in 1974, is een bekend voorbeeld.

    Welke dieren zijn makkelijk om schattig te tekenen?

    Een kat, hond, konijn, beer, panda en kuiken zijn makkelijk, omdat ze uit ronde vormen bestaan. Begin met een kat of een konijn, want die hebben herkenbare oren. Alle dieren werken met dezelfde bolle basis.

    Welke kleuren gebruik je bij kawaii-dieren?

    Zachte, pasteltinten, vooral roze, blauw en wit, aangevuld met crème, mintgroen en lichtgeel. Kies drie of vier kleuren en laat de rest wit. Vermijd felle, harde kleuren, want die maken het figuurtje minder zacht.

    Hoe teken ik de ogen van een schattig dier?

    Teken ze groot, rond of ovaal, laag en ver uit elkaar. Vul ze bijna helemaal met zwart of donkerbruin en laat een of twee witte lichtpuntjes vrij. Dat geeft het dier direct leven.

    Heb ik tekentalent nodig voor schattige dieren?

    Nee. De stijl is bewust eenvoudig en bestaat uit ronde vormen en een paar regels. Wie een cirkel en een ovaal kan tekenen, kan beginnen. Oefen dagelijks een paar figuurtjes en je merkt snel vooruitgang.

    Kan ik schattige dieren digitaal tekenen?

    Ja. De regels zijn hetzelfde: grote kop, grote ogen, kleine neus en zachte kleuren. Een tablet maakt het makkelijk om kleuren aan te passen en lagen te gebruiken. Begin met een eenvoudige schets en trek de lijnen daarna over.

    Verder lezen over tekenen

    Je hebt nu een stappenplan voor dieren tekenen schattig. Lees verder:

  • Realistisch tekenen voor beginners: kijken, meten en toonwaarden in 6 stappen

    Realistisch tekenen voor beginners: kijken, meten en toonwaarden in 6 stappen

    Realistisch tekenen betekent tekenen wat je ziet, niet wat je denkt te zien. Je meet verhoudingen met je potlood, zet eerst lichte lijnen neer, bouwt toonwaarden op van licht naar donker en werkt pas op het eind de details af. Wie die volgorde aanhoudt, tekent na enkele weken een voorwerp dat herkenbaar en driedimensionaal oogt, ook als je nu nog denkt dat je dat nooit kunt.

    Realistisch tekenen lijkt een gave, maar het is een manier van kijken die je leert. Je hersenen houden van symbolen: een oog is een amandel met een bolletje, een appel is een ronde vorm met een steeltje. Realistisch tekenen betekent die symbolen loslaten en de echte vormen, kleuren en schaduwen bekijken. Heb je nog niet eerder getekend? Lees dan eerst leren tekenen voor de basis.

    Kort samengevat

    • Realistisch tekenen is leren kijken: eerst de grote vormen, dan de verhoudingen, dan de toonwaarden.
    • Meet verhoudingen met je potlood op armlengte of gebruik een raster.
    • Bouw schaduw op in lagen, van licht naar donker, met minimaal drie toonwaarden.
    • Teken pas details als vorm en schaduw kloppen.
    • Oefen op eenvoudige voorwerpen, zoals een appel of mok, voor je naar gezichten gaat.

    Wat is realistisch tekenen?

    Realistisch tekenen is het zo getrouw mogelijk weergeven van wat je ziet. Dat kan een eenvoudig stilleven zijn of een portret. Wikipedia onderscheidt fotorealisme, een stijl die een foto nauwkeurig nabootst, en hyperrealisme, dat resulteert in werk dat op een foto met hoge resolutie lijkt. Dat zijn uitersten die professionele kunstenaars na jaren oefenen bereiken. Als beginner mik je op iets anders: een tekening die klopt in vorm, verhoudingen en licht.

    Een realistische tekening heeft een paar kenmerken. De verhoudingen kloppen: een kop is niet te groot, een poot niet te kort. Er is volume: voorwerpen lijken rond of plat, omdat licht en schaduw kloppen. En er is diepte: dingen die ver weg staan, zijn kleiner en lichter, en lijnen lopen naar een verdwijnpunt. Dat laatste is perspectief, waar we in een aparte pagina over perspectief tekenen dieper op ingaan.

    Wat heb je nodig voor realistisch tekenen?

    • Potloden in meerdere hardheden: een HB, een 2B, een 4B en een 6B geven je een mooi bereik aan toonwaarden.
    • Glad tekenpapier van 120 tot 180 gram. Dit is een richtwaarde. Te ruw papier maakt fijne schaduw moeilijk.
    • Een kneedgum om lichte plekken terug te halen.
    • Een wisser of een oorstokje om schaduw zacht te maken.
    • Een liniaal of een potlood om mee te meten.
    • Goed licht. Een lamp die van één kant schijnt, geeft duidelijke schaduw.
    • Een voorwerp om te tekenen. Een appel, een beker, een bol of een mok zijn ideaal.

    Meer heb je niet nodig. Kleurpotloden of pastelkrijt komen later, als de basis zit.

    Stap 1: kijk eerst, teken daarna

    Neem twee minuten om te kijken. Waar komt het licht vandaan? Waar zit de donkerste schaduw? Welke vormen zie je? Een appel is een bol, een mok een cilinder, een dier een reeks ovalen. Knijp je ogen half dicht: de details verdwijnen en je ziet alleen nog grote vlakken licht en donker. Precies die vlakken ga je tekenen.

    Een bekende truc is om je voorbeeld en je tekening ondersteboven te draaien. Je hersenen herkennen het onderwerp dan niet meer als symbool en je tekent de lijnen zoals ze zijn. Probeer het met een eenvoudig voorwerp en je merkt het verschil.

    Stap 2: zet de grote vormen neer

    Teken heel licht met een HB-potlood. Begin met de omtrek in eenvoudige vormen: een cirkel, een ovaal, een rechthoek. Het hoeft nog niet te kloppen. Je zoekt de plek en de grootte op het papier. Laat de tekening iets kleiner dan je papier, zodat er rand overblijft.

    Grote vormen schetsen van een appel
    Begin met een eenvoudige grote vorm.

    Controleer of het voorwerp goed op je blad past. Veel beginners beginnen te groot en komen zonder ruimte te zitten. Teken liever licht en klein, dan hard en vol.

    Stap 3: meet de verhoudingen

    Dit is de stap die een realistische tekening maakt of breekt. Houd je potlood op armlengte voor het voorwerp, met één oog dicht. Zet je duim op het potlood waar het voorwerp eindigt. Zo meet je bijvoorbeeld de hoogte. Draai het potlood zonder je arm te buigen en vergelijk die maat met de breedte. Is het voorwerp anderhalf keer zo hoog als breed? Dan moet je tekening dat ook zijn.

    Verhoudingen meten met een potlood op armlengte
    Meet met je potlood op armlengte.

    Gebruik dezelfde methode voor onderdelen: hoeveel keer past de kop in het lichaam? Waar zit het hengsel van de mok ten opzichte van de rand? Teken je lijnen opnieuw als de verhouding niet klopt. Dit voelt omslachtig, maar het is de grootste winst voor realisme.

    Een alternatief is een raster. Wikipedia noemt gridding als een eenvoudige techniek om nauwkeurigheid te waarborgen, en vermeldt dat kunstenaars ook projecteren of voorstudies gebruiken. Teken een raster van 2 bij 2 centimeter over je foto en hetzelfde raster licht op je papier. Teken vervolgens vak voor vak. Zo hoef je maar een klein stukje tegelijk te beoordelen. Het is geen valsspelen: je leert er verhoudingen mee zien.

    Stap 4: trek de omtrek en let op randen

    Als de verhoudingen kloppen, trek je de definitieve omtrek, met licht en vloeiend potlood. Let op het verschil tussen harde en zachte randen. De rand tussen een voorwerp en de achtergrond is vaak scherp, maar de rand van een schaduw is zacht. Teken niet overal dezelfde lijn: gebruik een dunnere, lichte lijn voor schaduwkanten en een iets donkerder lijn voor de kanten die van het licht afkeren.

    Gum de hulpvormen voorzichtig weg met een kneedgum. Dep in plaats van te wrijven, zodat het papier heel blijft.

    Stap 5: bouw de toonwaarden op

    Hier wordt je tekening driedimensionaal. Een toonwaarde is hoe licht of donker iets is. Begin met een schaal van vijf toonwaarden: wit, lichtgrijs, middengrijs, donkergrijs en zwart. Zoek op je voorwerp de lichtste plek (de glans), de middentoon, de schaduw op het voorwerp zelf (kernschaduw), de gereflecteerde lichtplek aan de onderkant en de slagschaduw op de ondergrond.

    Toonwaarden opbouwen in een tekening van een appel
    Bouw de toonwaarden langzaam op.

    Bouw de schaduw op in lagen. Begin met een HB en leg een lichte laag over alle schaduwplekken. Ga dan met een 2B over de middentoon en met een 4B of 6B over de donkerste plekken. Teken in de richting van de vorm: ronde streken bij een bol, rechte streken bij een vlak. Meng met een wisser of vinger voor een zacht verloop, en haal glans terug met je kneedgum.

    Druk niet te hard bij de eerste lagen. Het papier moet de ruimte krijgen om meerdere lagen te accepteren. Wie meteen hard drukt, krijgt een glimmend oppervlak waar niets meer op kan.

    Stap 6: werk de details af

    Pas nu komen de details: de textuur van de schil, een stipje, een barstje, een veertje. Gebruik een scherp potlood voor kleine details en houd ze bescheiden. Realisme zit niet in het aantal details, maar in de kloppende toonwaarden. Een appel met drie goed gekozen details oogt realistischer dan een appel met honderd kleine krasjes.

    Kijk als laatste naar het geheel. Staat het voorwerp stevig op de ondergrond? Is de slagschaduw donker genoeg aan de kant bij het voorwerp en lichter verderop? Pas de diepste donkere plekken aan, zodat er contrast is. Zet je tekening even weg en kijk er een uur later opnieuw naar. Je ziet dan meteen wat nog aandacht nodig heeft.

    Diepte in een realistische tekening: perspectief en afstand

    Een tekening oogt pas echt als er diepte in zit. Dat komt van een paar eenvoudige regels. Dingen die ver weg staan, zijn kleiner, lichter en minder scherp. Lijnen die van je af lopen, komen samen in een punt. Wikipedia legt uit dat perspectief driedimensionale scènes op een plat vlak weergeeft zoals het oog ze ziet: voorwerpen worden kleiner met de afstand en voorwerpen langs de kijkrichting worden verkort. Receding lijnen lopen naar punten in de verte, meestal op de horizonlijn.

    Pas dit toe op een eenvoudig voorbeeld. Teken drie dezelfde doosjes op een tafel: het voorste groot en donker, het middelste kleiner en iets lichter, het achterste het kleinst en het lichtst. Laat de bovenvlakken naar een gedeeld verdwijnpunt lopen. Je ziet meteen dat de tekening dieper wordt, ook zonder één detail. Meer over de techniek lees je bij perspectief tekenen.

    Een tweede truc is overlapping. Laat een voorwerp een ander deels bedekken: wat voor staat, is duidelijk dichterbij. Combineer dat met een schaduw op de ondergrond die naar achteren verdwijnt, en je tekening krijgt ruimte.

    Eerst snel schetsen, dan nauwkeurig tekenen

    Realistisch tekenen vraagt precisie, maar je begint niet precies. Maak eerst een snelle schets van twee tot vijf minuten van hetzelfde onderwerp. Wikipedia beschrijft een schets als een snelle, vrije tekening die niet als eindwerk is bedoeld, en een studie als een voorbereidende tekening voor een geplande eindafbeelding. Precies zo gebruik je ze: de schets om het onderwerp te leren kennen, de studie om je tekening voor te bereiden.

    Een bruikbare werkwijze is drie ronden. Eerst een schets van de omtrek in één doorlopende lijn. Dan een studie van de toonwaarden in een klein vakje van 5 bij 5 centimeter, met alleen licht, midden en donker. En dan pas de echte tekening op een groot blad. Zo ken je het onderwerp al, en maak je minder fouten in de grote versie. Wie alleen de grote tekening maakt, ontdekt problemen pas als er veel werk in zit.

    Leg je tekeningen naast elkaar en vergelijk ze: welke verhoudingen klopten het best? Waar was de schaduw het overtuigendst? Zo leer je van je eigen werk, zonder dat je een docent nodig hebt.

    Oefeningen voor realistisch tekenen

    Realistisch tekenen leer je met een reeks korte, gerichte oefeningen:

    1. Een toonschaal. Teken een balk en verdeel die in vijf vakken. Vul ze van wit naar zwart in. Dit leert je je potloden kennen.
    2. Een bol. Teken een cirkel en geef hem een lichtrichting met schaduw, kernschaduw en slagschaduw. De bol is de basis van alles.
    3. Een appel. Een vorm met volume, een steeltje en een eenvoudige textuur.
    4. Een mok of glas. Oefening in ellipsen en glans.
    5. Je eigen hand. Een uitdaging in verhoudingen en vorm, zie tekenen moeilijk.
    6. Een dier. Gebruik een foto en kijk naar vacht en proporties, zoals beschreven in dieren tekenen.
    7. Een portret. Verhoudingen van het gezicht, zie portret tekenen.

    Doe er één per dag en bewaar ze. Na een maand zie je dat je ogen scherper kijken dan je hand kan tekenen, en dat verschil wordt kleiner.

    Veelgemaakte fouten bij realistisch tekenen

    • Tekenen wat je denkt te zien. Gebruik meten en ondersteboven kijken om symbolen te vermijden.
    • Te hard drukken. Je krijgt glimmende, vlakke schaduw en je kunt niets meer aanpassen.
    • Te weinig toonwaarden. Gebruik minstens drie, liefst vijf.
    • Contouren te donker. In het echt zie je geen zwarte lijn om een voorwerp. Houd de lijn licht.
    • Te vroeg details. Eerst vorm en toon, dan details.
    • Foto’s overtekenen zonder te kijken. Een foto is plat. Teken ook naar echte voorwerpen.
    • Opgeven. Hyperrealisme is een einddoel, geen beginpunt. Geef jezelf tijd.

    Veelgestelde vragen over realistisch tekenen

    Hoe leer ik realistisch tekenen als beginner?

    Begin met eenvoudige voorwerpen en leer kijken: zoek grote vormen, meet verhoudingen met je potlood en bouw toonwaarden op in lagen. Oefen dagelijks tien tot vijftien minuten. Realisme komt van goed kijken en oefenen, niet van talent.

    Welke potloden heb ik nodig voor realistisch tekenen?

    Een set van HB, 2B, 4B en 6B is een goede basis. Met die vier potloden maak je minimaal vijf toonwaarden. Gebruik een kneedgum voor lichte plekken en een wisser om schaduw zacht te maken.

    Wat is het verschil tussen realistisch tekenen en fotorealisme?

    Realistisch tekenen is een brede term voor een getrouwe weergave van wat je ziet. Fotorealisme is volgens Wikipedia een stijl die een foto nauwkeurig nabootst, en hyperrealisme gaat nog een stap verder met veel detail en vaak een verhalende lading. Voor beginners is een kloppende tekening al een mooi doel.

    Hoe krijg ik verhoudingen goed bij realistisch tekenen?

    Meet met je potlood op armlengte en vergelijk breedtes en hoogtes, of gebruik een raster over je voorbeeld. Controleer in een vroeg stadium, voor je details tekent, en pas aan wat niet klopt.

    Is een raster gebruiken valsspelen?

    Nee. Een raster is een bekende hulptechniek die kunstenaars gebruiken om nauwkeurigheid te waarborgen. Het leert je verhoudingen zien. Oefen daarnaast ook zonder raster, zodat je oog zelf leert meten.

    Hoe lang duurt het om realistisch te leren tekenen?

    Een eenvoudig voorwerp lukt vaak na enkele weken dagelijks oefenen. Realistische portretten kosten meestal jaren. Dit zijn richtwaarden: iedereen leert in eigen tempo.

    Wat is het moeilijkste aan realistisch tekenen?

    Veel mensen vinden verhoudingen en toonwaarden het lastigst. Verhoudingen oefen je met meten, toonwaarden met een toonschaal en eenvoudige voorwerpen zoals een bol en een appel.

    Kan ik realistisch tekenen met kleurpotlood?

    Ja. De principes zijn hetzelfde: verhoudingen, toonwaarden en lagen. Bouw kleuren op in lagen, begin licht en werk toe naar donker. Het kost meer tijd dan met grafiet, maar geeft rijke resultaten.

    Verder lezen over tekenen

    Je hebt nu een stappenplan voor realistisch tekenen. Lees verder:

  • Houtskool tekenen voor beginners: materiaal, technieken en oefeningen

    Houtskool tekenen voor beginners: materiaal, technieken en oefeningen

    Houtskool tekenen is werken met zacht, diep zwart: je zet brede vlakken neer, smeert ze uit en haalt licht terug met een gum. Het is een van de oudste tekentechnieken en nog steeds een van de beste manieren om tonen te leren zien. Met drie stiften, ruw papier, een kneedgum en fixatief heb je alles om te beginnen.

    Houtskool vergeeft fouten en maakt je snel losser, omdat je met brede streken werkt en niet met kleine lijntjes. Het maakt wel vies: je handen en tafel worden zwart, en je tekening smeert makkelijk. In dit artikel lees je welke soorten houtskool er zijn, welk papier past, hoe je tekent en hoe je je werk bewaart. Wil je breder beginnen? Lees dan onze gids leren tekenen.

    Kort samengevat

    • Er zijn twee soorten: wilgen- of vinehoutskool (zacht, veegt makkelijk) en geperste houtskool (donkerder, blijft beter zitten).
    • Gebruik papier met een ruw oppervlak, zodat de houtskool hecht.
    • Werk van groot naar klein: eerst vlakken en tonen, dan lijnen.
    • Een kneedgum is je belangrijkste gereedschap voor licht.
    • Fixeer je tekening met fixatief, anders smeert hij.

    Wat is houtskool

    Houtskool voor tekenen wordt gemaakt door hout zonder lucht te verbranden. Volgens Wikipedia wordt wilgen- of vinehoutskool, in het Engels vine charcoal, gemaakt van verbrande wijnstokken. Het is een lange, dunne stift in grijstinten, die makkelijk weg te vegen is en daarom vaak voor eerste schetsen wordt gebruikt, maar minder geschikt is voor details. Geperste houtskool is gemaakt van houtskoolpoeder met een bindmiddel van gom of was. Hoe meer bindmiddel, hoe harder de stift: zachtere stiften geven diepe zwarte lijnen, hardere stiften lichtere lijnen.

    Houtskool is een van de oudste tekenmaterialen. Volgens dezelfde bron werd houtskool al in grotschilderingen gebruikt, met voorbeelden van tienduizenden jaren oud. Tijdens de Renaissance gingen veel houtskooltekeningen verloren omdat de houtskool afbladderde. Eind vijftiende eeuw gingen kunstenaars hun tekeningen in een bad van gom leggen om de houtskool vast te houden. Een moderne variant daarvan is fixatief.

    Welke houtskool kies je

    • Wilgenhoutskool (vine): zacht en grijs, makkelijk uit te vegen. Goed voor de opzet en voor lichte tonen. Per stuk gekocht of in een doosje met meerdere diktes.
    • Geperste houtskool: donkerder en dikker, in blokjes of stiften. Voor diepe schaduwen. Veegt moeilijker weg.
    • Houtskoolpotlood: houtskool in een houten mantel. Schoner en nauwkeuriger, handig voor details.
    • Witte houtskool of krijt: voor lichtpunten op getint papier.
    Wilgenhoutskool, geperste houtskool en houtskoolpotlood naast elkaar
    Wilgenhout, geperst en potlood: drie soorten.

    Voor beginners is een startset met wilgenhoutskool, een stuk geperste houtskool en een houtskoolpotlood ideaal. Je hoeft geen dure set te kopen: houtskool tekenen kopen kan bij hobbywinkels en online, en een eenvoudige set is meestal genoeg.

    Welk papier past bij houtskool

    Houtskool heeft papier met een ruw oppervlak (tand) nodig, zodat de deeltjes blijven zitten. Kies tekenpapier van 120 tot 200 gram met een duidelijke korrel. Te glad papier houdt weinig vast, en te dun papier scheurt bij vegen en gummen. Getint papier, bijvoorbeeld grijs of crème, geeft een middentoon: je tekent de schaduw met zwart en het licht met wit.

    Wat heb je nog meer nodig

    • Een kneedgum om houtskool op te tillen zonder te vegen. Je kunt hem vormen tot een punt voor kleine lichtpunten.
    • Een gewone gum voor grotere vlakken.
    • Een papieren wisser (tortillon) of een stukje keukenpapier om te vegen.
    • Fixatief om je tekening vast te zetten. Een fixatief is een bewaarmiddel dat je over een droge tekening spuit, zodat droge materialen zoals houtskool, krijt en pastel niet smeren, afbrokkelen of verkleuren.
    • Een schort of oude kleding. Houtskool zit overal.
    • Een ezel of tekenplank zodat je op armlengte kunt werken. Tekenen op een rechtopstaand vlak geeft je meer overzicht.

    Houtskool tekenen in zes stappen

    We tekenen een eenvoudig stilleven: een fles, een appel en een kop.

    Stap 1: de opzet met wilgenhoutskool

    Teken de grote vormen heel licht, met de zijkant of punt van een stuk wilgenhoutskool. Meet de verhoudingen. Je hebt geen details nodig, alleen de plaatsing en de grootte van de vormen.

    Stap 2: veeg weg wat niet klopt

    Wilgenhoutskool veeg je gemakkelijk weg met een doekje of je hand. Corrigeer de vormen totdat ze kloppen. Een restje grijs blijft staan en dient als hulplijn.

    Stap 3: leg de grote tonen neer

    Kijk met half dichtgeknepen ogen naar je opstelling. Zet de donkerste vlakken met een stuk geperste houtskool, en leg de middentonen met de zijkant van een zachter stuk. Werk in grote vlakken, zonder detail.

    Stap 4: smeer en meng

    Smeer de vlakken met een vinger of een wisser tot zachte overgangen. Hou het donker donker en het licht licht. Je tekening krijgt zo volume.

    Houtskooltekening van een stilleven wordt zacht uitgesmeerd met een vinger
    Smeer de vlakken tot zachte overgangen.

    Stap 5: haal licht terug

    Neem je kneedgum en til het licht van het papier: de glans op de fles, de bovenkant van de appel, de rand van de kop. Dit is het mooiste deel: je tekent met een gum.

    Met een kneedgum wordt licht teruggehaald in een houtskooltekening
    Til het licht van het papier met een kneedgum.

    Stap 6: accenten en fixeren

    Zet met een houtskoolpotlood scherpe lijnen en de allerdonkerste accenten. Laat de tekening even rusten en spuit dan fixatief op de afstand die op de bus staat, in een goed geventileerde ruimte of buiten. Lees de aanwijzingen op de bus.

    Technieken met houtskool

    • Lijn: de punt van de stift voor contouren. Draai het stuk voor dikte.
    • Vlak: de zijkant van een stuk voor brede tonen.
    • Vegen: met vinger, wisser of doekje voor zachte overgangen.
    • Schraffeer: parallelle lijntjes, dichter voor donkerder.
    • Optillen: met de kneedgum licht terugbrengen.
    • Tekenen met de gum: een donker vlak neerzetten en er lichte lijnen in ’tekenen’, bijvoorbeeld haren of gras.

    Wat teken je met houtskool

    Houtskool past bij onderwerpen met sterke contrasten.

    • Stillevens: fles, appel, kop. Ideaal om tonen te leren.
    • Portretten: met zacht zijlicht komt het gezicht mooi bol. Meer over de opbouw lees je in onze gids over portret tekenen.
    • Landschappen en luchten: brede vlakken en gras, bomen en wolken in één haal.
    • Dieren: vacht en beweging in snelle streken. Zie dieren tekenen.
    • Figuren en schetsen: snelle studies van een model, ideaal voor losse bewegingen.

    Voor kleurrijke tekeningen op getint papier is pastelkrijt een logisch vervolg, zoals bij pastelkrijt. Wie van snelle, stripachtige tekeningen houdt, kan houtskool combineren met inkt, zoals bij manga tekenen.

    Tekenen met houtskool: houding en werkplek

    Tekenen met houtskool vraagt ruimte. Zet je papier op een tekenplank of ezel en ga op ongeveer een armlengte afstand staan of zitten. Je tekent dan met je hele arm en niet alleen met je pols, waardoor je lijnen losser worden. Leg een krant of een oud laken onder je werkplek, want houtskoolstof valt overal. Een schort of oude kleding is geen overbodige luxe.

    Houd je stift niet als een pen, maar met je vingertoppen, bijna plat op het papier voor brede vlakken. Voor lijnen kantel je hem, voor details draai je hem naar een scherpe kant. Breek een stuk houtskool gerust doormidden: kortere stukjes geven meer controle. Werk van boven naar beneden en van links naar rechts als je rechtshandig bent, zodat je hand niet over wat je al hebt getekend gaat.

    Houtskool tekenen voor beginners: een eerste oefenreeks

    Een vaste reeks oefeningen helpt om houtskool te leren kennen. Gebruik een groot blad en vul het met kleine experimenten.

    1. Toonschaal. Maak een balk van tien vakjes en vul ze van wit naar zwart, door steeds meer druk en meer lagen te gebruiken.
    2. Lijnen. Teken lijnen met de punt, de zijkant en een gedraaide stift. Kijk hoe de dikte verandert.
    3. Verlopen. Maak een vlak dat van donker naar licht gaat en veeg het zacht uit.
    4. Gum als gereedschap. Zet een donker vlak neer en teken er met de kneedgum lichte lijnen in.
    5. Bol, kubus en cilinder. Teken drie eenvoudige vormen met één lichtbron en schaduw ze.

    Na deze oefeningen weet je wat houtskool kan en wat niet. Pas daarna ga je aan een stilleven of portret beginnen. Een kwartier per dag is genoeg, en je merkt na een week al hoeveel losser je gaat tekenen met houtskool.

    Houtskool bewaren en onderhouden

    Een houtskooltekening is kwetsbaar. Naast fixatief helpt het om de tekening plat te bewaren, met een vel vloeipapier of bakpapier ertussen. Vermijd plastic hoesjes zonder tussenvel: de statische lading kan houtskool van het papier trekken. Hang je tekening achter glas, laat dan een passe-partout ertussen zodat het glas het papier niet raakt. Houtskoolstiften zelf bewaar je in een doosje, zodat ze niet breken.

    Houtskool tekenen voor kinderen

    Kinderen vinden houtskool vaak leuk: het is zacht, het maakt vies en je ziet meteen resultaat. Gebruik wilgenhoutskool en laat ze op groot papier werken, liefst met een schort. Laat ze brede strepen zetten, vegen met hun vingers en een gum gebruiken om lijnen te maken. Fixeer de tekening zelf, in een goed geventileerde ruimte, en laat kinderen niet met fixatief werken.

    Veelgemaakte fouten

    • Te vroeg detail. Begin met grote vlakken.
    • Te glad papier. De houtskool hecht niet.
    • Alles even donker. Houd licht licht en donker donker.
    • Te veel smeren. De tekening wordt grijs en vlak. Houd een paar scherpe randen.
    • Geen fixatief. De tekening smeert bij aanraking.
    • Te klein werken. Houtskool houdt van grote bewegingen.
    • Vingers op de tekening. Leg een los blaadje onder je hand.

    Veelgestelde vragen over houtskool tekenen

    Hoe begin ik met houtskool tekenen?

    Koop wilgenhoutskool, een stuk geperste houtskool, een kneedgum en papier met een ruw oppervlak. Teken eerst licht de grote vormen, veeg bij, leg tonen neer en haal licht terug met de gum. Fixeer je tekening aan het eind.

    Welk papier is het best voor houtskool?

    Papier met een duidelijke korrel van 120 tot 200 gram. Te glad papier houdt de houtskool niet vast.

    Wat is het verschil tussen wilgenhoutskool en geperste houtskool?

    Wilgenhoutskool is zacht en grijs en veegt makkelijk weg. Geperste houtskool bevat een bindmiddel, is donkerder en blijft beter zitten.

    Hoe fixeer ik een houtskooltekening?

    Met fixatief, een spray die de tekening vastzet zodat hij niet smeert. Spuit op voldoende afstand, in een geventileerde ruimte, en volg de aanwijzingen op de bus.

    Waar kan ik houtskool kopen?

    Bij hobbywinkels, kantoorboekhandels en webwinkels. Een eenvoudige set met drie soorten is genoeg om te beginnen.

    Is houtskool geschikt voor kinderen?

    Ja, met groot papier en een schort. Laat een volwassene het fixatief gebruiken.

    Hoe maak ik licht in een houtskooltekening?

    Met een kneedgum. Til de houtskool van het papier waar je licht wilt. Voor lichte lijnen vorm je de gum tot een punt.

    Kan ik houtskool combineren met andere materialen?

    Ja, met pastelkrijt, inkt en wit krijt op getint papier. Fixeer eerst de houtskool, voordat je er iets overheen aanbrengt.

    Verder lezen

    Houtskool tekenen leert je tonen zien en durven. Zo ga je verder:

  • Manga tekenen voor beginners: gezicht, haar, lichaam en inkt in 7 stappen

    Manga tekenen voor beginners: gezicht, haar, lichaam en inkt in 7 stappen

    Manga tekenen begint met een gezicht van eenvoudige vormen: een ovaal, hulplijnen voor de ogen, grote ogen met een duidelijke lichtreflectie, een kleine neus en mond en haar in grote lokken. Daarna bouw je het lichaam op uit blokken, geef je het figuur een uitdrukking en trek je de lijnen over met een fineliner. Wie dit stap voor stap doet, tekent na een paar weken een eigen figuur die duidelijk als manga herkenbaar is.

    Manga is de Japanse stijl van striptekenen. Volgens Wikipedia betekent het woord in Japan alle cartoons en strips, terwijl het buiten Japan meestal Japanse strips aanduidt. Manga is meestal zwart-wit gedrukt, en het wordt traditioneel van boven naar beneden en van rechts naar links gelezen. Die zwart-wit stijl bepaalt hoe je tekent: sterke lijnen, duidelijke vlakken en schaduw met patronen. Heb je nog geen ervaring met tekenen? Lees dan eerst leren tekenen voor de basis van lijnen en vormen.

    Kort samengevat

    • Begin met een ovaal en hulplijnen, en zet de ogen op de horizontale middenlijn.
    • Manga-ogen zijn groot, met een dikke bovenrand en een duidelijke lichtreflectie.
    • Het haar bestaat uit grote lokken, niet uit losse haartjes.
    • Teken het lichaam eerst als blokken en lijnen, en bouw daarna op.
    • Trek je lijnen over met een fineliner en gebruik patronen, de zogeheten screentone, voor schaduw.

    Wat is manga en wat maakt de stijl herkenbaar?

    Manga is een brede stroming met veel genres. Wikipedia noemt onder meer shonen, gericht op jongens met actie, sciencefiction en sport, en shojo, gericht op meisjes met romantiek en emotionele verhalen. Binnen die genres verschillen de tekenstijlen sterk, maar een paar kenmerken keren steeds terug.

    Het eerste is de uitdrukking. Manga-figuren laten emoties groot en duidelijk zien, vaak met overdreven ogen, wenkbrauwen en monden. Het tweede is de eenvoud van lijnen: schone contouren met weinig details. Het derde is het gebruik van zwart-wit. Omdat manga meestal zonder kleur wordt gedrukt, noemt de bron tijdsdruk, de overtuiging dat kleur de impact kan verzwakken en lagere drukkosten als redenen. Dat betekent dat je met licht, donker en patronen werkt in plaats van met kleur.

    Het vierde kenmerk is de verhouding tussen realisme en vereenvoudiging. Gezichten zijn gestileerd, maar achtergronden en voorwerpen kunnen heel gedetailleerd zijn, met echt perspectief. Wie ook dat wil leren, kan doorlezen bij perspectief tekenen.

    Wat heb je nodig om manga te tekenen?

    Je hebt weinig nodig:

    • Een potlood (HB of 2B) voor de schets, met een gum.
    • Een fineliner of inktpen voor de uiteindelijke lijnen. Een set met verschillende dikten, bijvoorbeeld 0,1, 0,3 en 0,5 mm, is handig.
    • Glad papier dat de inkt niet laat uitlopen. Kies tekenpapier of speciaal mangapapier. Dik papier is prettig.
    • Een liniaal voor panelen en rechte lijnen.
    • Optioneel: screentone-vellen of een tablet voor het toevoegen van patronen.

    Mangaka, de tekenaars, gebruiken ook speciale pennen waarmee je dikke en dunne lijnen trekt. Voor een beginner is een fineliner veel makkelijker. Hou het simpel en breid later uit. Teken je liever digitaal, lees dan onze uitleg over Procreate of tekenen op een tablet.

    Stap 1: het hoofd en de hulplijnen bij manga tekenen

    Teken een ovaal die aan de onderkant iets smaller wordt, met een puntige of afgeronde kin. Manga-gezichten hebben vaak een kleine kin en een rond voorhoofd. Teken een verticale lijn door het midden en een horizontale lijn precies halverwege de ovaal. Die horizontale lijn is de ooglijn.

    Potloodschets van een manga-hoofd met hulplijnen op een schetsblok
    Begin met een ovaal en hulplijnen.

    Dit is een gangbare richtwaarde: de ogen zitten bij echte gezichten ongeveer halverwege het hoofd. Bij manga zet je ze vaak iets lager, om een jeugdiger uitstraling te geven. De neus en de mond komen in het onderste deel. Zet de neus ongeveer halverwege tussen de ooglijn en de kin, en de mond iets daaronder.

    Oefen het hoofd vanuit een paar hoeken: recht van voren, driekwart en zijkant. Een bol met een kruis erop helpt je de richting te zien. Bij driekwart verschuift het kruis naar de kant waarnaar het gezicht kijkt.

    Stap 2: de ogen bij manga tekenen

    Ogen zijn het meest herkenbare onderdeel van manga tekenen. Begin met de bovenste ooglijn: een dikke, gebogen lijn die het oog omlijst. Daaronder teken je de iris als een grote, hoge ovaal, met een donkere pupil in het midden. Voeg een of twee lichtreflecties toe als witte cirkeltjes: dat geeft het oog direct leven. Laat de onderlijn dun en licht.

    Drie manga-ogen getekend in potlood en inkt op een schetsblok
    Ogen zijn het meest herkenbare onderdeel van manga.

    Houd de ogen uit elkaar op een afstand van ongeveer één oogbreedte. Veel beginners zetten ze te dichtbij. Teken ook de wimpers, als een paar korte streepjes aan de bovenrand, vooral bij vrouwelijke figuren. Wenkbrauwen zijn eenvoudige gebogen lijnen boven de ogen, die de stemming bepalen.

    Varieer per figuur: scherpe, smalle ogen geven een stoer of slim figuur, grote ronde ogen een zachter of jonger figuur. In tekenen schattig lees je meer over waarom grote ogen zo aantrekkelijk zijn.

    Stap 3: neus, mond en oren

    Bij manga zijn neus en mond eenvoudig. De neus is vaak niet meer dan een korte lijn of een klein hoekje. De mond is een zachte boog of een kleine ovaal bij een open mond. Houd ze klein, zodat de ogen de aandacht krijgen. De oren zitten tussen de ooglijn en de neuslijn, en worden als een eenvoudige, gebogen vorm getekend.

    Teken ook de hals: een eenvoudige cilinder die onder de kaak begint. Een veelgemaakte fout is een te dikke of te korte hals. Houd hem dun, en laat hem iets schuin onder de kaak beginnen.

    Stap 4: het haar bij manga tekenen

    Haar is bij manga tekenen een kans om te laten zien wie het figuur is. Begin met de haarlijn op het voorhoofd en het kruin. Teken het haar niet als losse haren, maar als grote lokken die in groepen vallen. Elke lok begint bij de haarlijn en loopt naar beneden in een zachte S-vorm of een scherpe punt.

    Houd de volgende regels aan: het haar komt vanuit één punt op het hoofd, de kruin of het draaipunt. Het volgt de vorm van het hoofd en valt daarna naar buiten. Geef het haar volume: teken het iets groter dan de schedel. Gebruik een paar dunne lijnen in de lokken voor glans en laat een lichte plek open als lichtreflectie.

    Stap 5: het lichaam bij manga tekenen

    Teken het lichaam als een eenvoudige bouwconstructie. Het hoofd is een ovaal. De hals is een kleine buis. De schouders zijn een lijn, de borstkas een ei of blok, de heupen een tweede blok. De armen en benen zijn buizen met bollen bij de gewrichten. Met zulke eenvoudige vormen bepaal je de houding voor je details toevoegt.

    Een mangafiguur is meestal zo’n 6 tot 8 hoofden hoog, afhankelijk van de stijl: een grappig figuur is kleiner, een stoer figuur langer. Dit is een richtwaarde. Teken eerst de houding in een paar lijnen, de zogenoemde lijn van de beweging. Daar bouw je het lichaam omheen op. Oefen ook de handen: teken ze als eenvoudige blokken met vingers als cilinders, zoals beschreven in tekenen moeilijk.

    Stap 6: kleding en details

    Kleding volgt het lichaam. Teken eerst het lichaam als een lijn en blokken, en pas daarna de stof erover heen. Let op plooien: ze ontstaan bij gewrichten, zoals ellebogen en knieën, en waar de stof gespannen is. Een paar goed geplaatste lijnen zijn genoeg, je hoeft niet elke plooi te tekenen.

    Voeg tot slot details toe: knopen, zakken, een tas, een sieraad. Houd het eenvoudig. Een figuur met drie goed gekozen details oogt sterker dan één met twintig kleine dingetjes. Dieren in manga-stijl bouw je op dezelfde manier op, zie dieren tekenen.

    Stap 7: inkten en screentone na het manga tekenen

    Als de schets klopt, trek je de lijnen over met een fineliner. Gebruik een dikkere lijn voor de buitenste omtrek en een dunnere voor details zoals plooien en haarlokken. Dat geeft diepte. Wacht tot de inkt droog is, en gum dan voorzichtig de potloodlijnen weg.

    Geïnkte zwart-wit manga-tekening van een figuur op een tekentafel
    Na het inkten gum je de potloodlijnen weg.

    Voor schaduw gebruikt manga screentone. Volgens Wikipedia is dat een techniek om texturen en schaduw toe te voegen aan tekeningen, als alternatief voor arceren. Traditioneel zijn het voorgedrukte vellen met een patroon, een doorzichtige drager en een plakkerige laag. Je legt het vel op het papier, wrijft er met een stylus over en trekt de drager weg, zodat de inkt op het papier blijft. De bron noemt merken als Zip-A-Tone (1937), Chart-Pak (1949) en Letratone (1966). Digitaal kun je patronen met een tabletprogramma toevoegen.

    Voor je eerste tekeningen is arceren met je pen prima: korte, parallelle lijnen voor schaduw, en kruislijnen voor donkerder plekken. Begin met het donkerste deel dat je ziet en werk naar licht.

    Een eigen mangafiguur ontwerpen

    Als je de basis kent, wordt het tijd voor een eigen figuur. Bedenk eerst wie het is: een naam, een leeftijd, een eigenschap. Een stoere reiziger, een verlegen bibliothecaris, een nieuwsgierig kind. Dat bepaalt hoe je het gezicht, het haar en de kleding tekent.

    Gebruik drie ontwerpkeuzes om je figuur herkenbaar te maken. Kies een haarstijl die in silhouet opvalt, bijvoorbeeld een staart, een pony of een bos stekels. Kies één kenmerkend kledingstuk, zoals een sjaal of een hoed. En kies één bijzonder detail, zoals een litteken of een sieraad. Meer is niet nodig, en wat je vaak moet tekenen, houd je liever simpel.

    Teken je figuur daarna in drie houdingen en vijf uitdrukkingen, zodat je een ontwerpblad hebt. Zo blijft het figuur herkenbaar als je later een verhaal maakt. Een figuur die blij, boos, verdrietig, verbaasd en bang kan kijken, kan een hele strip dragen. Dit werkt hetzelfde als bij een tekenfilm, waar je figuur ook in elke tekening gelijk moet blijven.

    Veelgemaakte fouten bij manga tekenen

    • Ogen te dicht bij elkaar. Laat ongeveer één oogbreedte ertussen.
    • Te veel details in het gezicht. Houd neus en mond klein en eenvoudig.
    • Haar als losse haren. Teken lokken in groepen.
    • Geen houding. Teken eerst de beweginglijn voor je het lichaam opbouwt.
    • Overal dezelfde lijndikte. Varieer: dik buiten, dun binnen.
    • Alleen nadoen. Kopieer uit je favoriete manga om te leren, maar ontwerp daarna zelf een figuur.

    Oefeningen om beter te worden in manga tekenen

    Oefen de ogen apart: vul een pagina met veertig ogen in verschillende stemmingen. Teken daarna een pagina met haarstijlen. Vervolgens zes verschillende gezichten uit hetzelfde ovaal. Teken een figuur in vijf houdingen. Maak een mini-strip van vier vakjes met een eenvoudig verhaal, en leg daarbij de leesrichting van rechts naar links vast, zoals manga traditioneel wordt gelezen. Gebruik een portret tekenen als aanvulling op realistisch kijken naar gezichten, want ook mangaka beginnen bij echte verhoudingen. Wie meer tijd wil investeren, kan pastelkrijt proberen voor een kleurige afwerking van losse tekeningen.

    Veelgestelde vragen over manga tekenen

    Hoe begin je met manga tekenen?

    Begin met een ovaal met hulplijnen voor het gezicht, teken grote ogen op de horizontale lijn, een kleine neus en mond en haar in grote lokken. Bouw daarna het lichaam op uit blokken. Trek je schets over met een fineliner en voeg schaduw toe met arcering of screentone.

    Welke materialen heb ik nodig voor manga tekenen?

    Een potlood, een gum, een fineliner of inktpen en glad papier zijn genoeg. Een liniaal is handig voor panelen. Later kun je overstappen op speciale pennen of een tekentablet met een programma voor screentone.

    Hoe teken ik manga-ogen?

    Teken een dikke bovenrand, een grote ovale iris met een donkere pupil en een of twee witte lichtreflecties. De onderlijn is dun en licht. Houd ongeveer één oogbreedte tussen de ogen. Varieer de vorm om verschillende karakters te maken.

    Wat is screentone?

    Screentone is een techniek om texturen en schaduw toe te voegen aan een tekening, als alternatief voor arceren. Traditioneel zijn het vellen met een gedrukt patroon die je op het papier legt en met een stylus aanwrijft. Digitaal bestaan er ook patronen in tekenprogramma’s.

    In welke richting lees je manga?

    Traditioneel van boven naar beneden en van rechts naar links. Sommige uitgevers spiegelen de pagina’s voor westerse lezers, wat volgens critici de bedoeling van de maker aantast. Als je zelf een strip tekent, houd je rekening met die leesrichting.

    Waarom is manga meestal zwart-wit?

    Volgens Wikipedia komt dat door tijdsdruk, de opvatting dat kleur de impact kan verzwakken en lagere drukkosten. Daardoor werken mangaka met licht, donker en patronen. Er bestaan wel kleurenmanga’s, maar die zijn minder gebruikelijk.

    Hoe lang duurt het om manga te leren tekenen?

    Met dagelijks oefenen zie je na enkele weken verbetering en na enkele maanden een eigen stijl. Dit zijn richtwaarden. Leer eerst de basis: hoofd, ogen, haar en lichaam, en bouw daarna op.

    Kan ik manga tekenen zonder te kunnen tekenen?

    Ja. Manga bestaat uit eenvoudige vormen en regels die je kunt leren. Begin met de stappen hierboven en oefen elke dag een paar tekeningen. Lees ook onze gids leren tekenen voor de basis.

    Verder lezen over tekenen

    Je hebt nu een stappenplan voor manga tekenen. Lees verder:

  • Perspectief tekenen: eenpuntsperspectief en tweepuntsperspectief stap voor stap

    Perspectief tekenen: eenpuntsperspectief en tweepuntsperspectief stap voor stap

    Perspectief tekenen draait om drie dingen: een horizon, een of twee verdwijnpunten en lijnen die daar naartoe lopen. Alles wat verder weg is, wordt kleiner en alle evenwijdige lijnen in de diepte komen samen in één punt. Met een liniaal, een potlood en deze regel teken je een kamer, een straat of een gebouw dat klopt.

    Perspectief klinkt technisch, maar het is vooral een manier van kijken. Je tekent wat je ziet: dat de rails in de verte smaller lijken en dat de gevel van een huis schuin wegloopt. Wie dat een keer begrijpt, ziet het overal terug. Wil je eerst de basis van tekenen? Dat staat in onze gids leren tekenen.

    Kort samengevat

    • De horizon is je ooghoogte. Alle lijnen die van je af lopen, komen samen op die lijn.
    • Eenpuntsperspectief heeft één verdwijnpunt: handig voor een kamer of een straat recht voor je.
    • Tweepuntsperspectief heeft twee verdwijnpunten: handig voor een gebouw dat je op de hoek ziet.
    • Hoe verder iets weg is, hoe kleiner het wordt. Grootte en overlapping geven diepte.
    • Teken eerst licht met een liniaal. Dikke lijnen komen als laatste.

    Wat is perspectief

    Perspectief is volgens Wikipedia een manier om driedimensionale voorwerpen op een plat vlak weer te geven, zoals het oog ze ziet. Het berust op het feit dat een voorwerp N keer kleiner lijkt als het N keer verder weg staat. Lijnen die van de kijker af lopen, komen samen in een verdwijnpunt, en die verdwijnpunten liggen meestal op de horizon.

    De techniek is niet nieuw. Filippo Brunelleschi experimenteerde rond 1415 tot 1420 in Florence met het nauwkeurig tekenen van gebouwen, en Leon Battista Alberti legde in zijn verhandeling De pictura rond 1435 uit hoe het werkt. Albrecht Dürer schreef in 1525 over perspectief in zijn boek over meten. Wat toen een nieuwe ontdekking was, is nu een standaard onderdeel van tekenen.

    De horizon en het verdwijnpunt

    Alles begint met de horizonlijn. Dat is de lijn op ooghoogte, waar land en lucht lijken te ontmoeten. Sta je, dan is de horizon hoog, zit je, dan is hij lager. Alles wat boven de horizon staat, zie je van onderaf. Alles eronder zie je van bovenaf.

    Horizon en verdwijnpunt met hulplijnen op papier
    Alle lijnen die van je af lopen komen samen in het verdwijnpunt.

    Het verdwijnpunt ligt op de horizon. Denk aan een recht stuk spoor: de rails lijken samen te komen op een punt in de verte. Dat is het verdwijnpunt. Alle lijnen die in werkelijkheid evenwijdig lopen en van je af gaan, wijzen in je tekening naar dat punt.

    Een goede oefening: ga bij een raam staan en teken op het glas (met een uitwisbare stift) de lijnen van de straat. Je ziet meteen hoe ze naar één punt gaan. Wil je het wat rustiger, doe het op papier met een foto van een straat.

    Eenpuntsperspectief

    Bij eenpuntsperspectief kijk je recht op een vlak: een gang, een straat, een kamer waarin je naar de achterwand kijkt. Er is één verdwijnpunt, meestal in het midden van de horizon.

    Eenpuntsperspectief: een kamer met horizonlijn en één verdwijnpunt in het midden
    Eenpuntsperspectief: de lijnen naar achteren komen samen in één punt op de horizon.

    Een kamer in eenpuntsperspectief in vijf stappen

    1. Teken de horizonlijn halverwege je papier, met een liniaal.
    2. Zet een verdwijnpunt in het midden van de lijn.
    3. Teken de achterwand als een rechthoek rond het verdwijnpunt.
    4. Trek hulplijnen vanaf het verdwijnpunt door de vier hoeken van de achterwand naar de randen van je papier.
    5. Teken de voorste rand van de kamer als een grotere rechthoek waarvan de hoeken op die hulplijnen liggen.

    Je hebt nu een kamer. Met dezelfde hulplijnen kun je meubels, ramen en vloertegels plaatsen. Alle horizontale lijnen die evenwijdig zijn aan de rand van je papier, blijven horizontaal. Alle verticale lijnen blijven verticaal. Alleen de lijnen die naar achteren lopen, wijzen naar het verdwijnpunt.

    Tweepuntsperspectief

    Bij tweepuntsperspectief kijk je naar de hoek van een gebouw of een doos. Je ziet twee zijden schuin. Daardoor heb je twee verdwijnpunten, allebei op de horizon, ver uit elkaar.

    Tweepuntsperspectief: een doos met de voorste hoek en twee verdwijnpunten op de horizonlijn
    Tweepuntsperspectief: twee verdwijnpunten, een verticale voorste hoek.

    Een gebouw in tweepuntsperspectief in zes stappen

    1. Teken de horizonlijn en zet er twee verdwijnpunten op, ver uit elkaar, bijvoorbeeld aan de randen van je papier.
    2. Teken een verticale lijn voor de voorste hoek van het gebouw. Zet hem tussen de twee verdwijnpunten, bij voorkeur iets naar een kant.
    3. Trek vanaf de boven- en onderkant van die lijn hulplijnen naar beide verdwijnpunten.
    4. Teken de achterkanten met twee verticale lijnen die de hulplijnen doorsnijden.
    5. Voeg het dak, de ramen en de deur toe. Gebruik ook daarvoor lijnen naar de verdwijnpunten.
    6. Teken verticale lijnen echt verticaal. In deze methode blijven alle verticale lijnen verticaal.
    Een huis getekend in tweepuntsperspectief
    Twee verdwijnpunten geven het gebouw zijn hoek.

    Hoe verder de verdwijnpunten uit elkaar liggen, hoe natuurlijker het gebouw eruitziet. Zet je ze te dicht bij elkaar, dan lijkt het gebouw vervormd.

    Perspectief tekenen gebouwen

    Gebouwen zijn de meest voorkomende reden om perspectief tekenen te leren. Begin met een eenvoudige doos als basis en bouw daarop voort. Een huis is een doos met een dak. Een toren is een hoge doos. Een winkelstraat is een rij dozen naast elkaar, allemaal met hun lijnen naar hetzelfde verdwijnpunt.

    Voor perspectief tekenen gebouwen werkt deze volgorde:

    • Eerst de grote dozen. Bepaal de breedte, hoogte en diepte van het gebouw.
    • Dan de onderverdeling. Ramen en deuren verdeel je met diagonalen, zodat ze op gelijke afstand staan.
    • Daarna de details. Dakranden, kozijnen en trappen.
    • Tot slot schaduw. Bepaal vanaf waar het licht komt en schaduw de andere kant.

    Bij ramen en deuren helpt een handige truc: teken een diagonaal door een rechthoek in perspectief. Het snijpunt van de diagonalen is het midden, ook al lijkt het niet zo. Zo kun je een vlak halveren en een raam precies in het midden zetten.

    Perspectief tekenen voor een landschap

    Ook in de natuur geldt perspectief, al zie je minder rechte lijnen. Hier heet het vaak luchtperspectief: dingen die ver weg zijn, zijn lichter, blauwer en minder scherp. Een rij bomen langs een weg krijgt kleinere, lichtere bomen naarmate hij verder weg staat. Een pad dat naar de horizon loopt, wordt smaller. De horizon bepaalt hoeveel lucht en hoeveel land je tekent.

    Cirkels in perspectief

    Wielen, kopjes en potten zijn rond, maar in perspectief worden ze ellipsen. Een ellips is het beeld van een cirkel onder een hoek: hoe schuiner je kijkt, hoe smaller de ellips. Teken daarom een cirkel in perspectief eerst als een vierkant in perspectief, en teken de ellips erin, rakend aan het midden van elke zijde.

    Een veelgemaakte fout is om de ellips met punten aan de uiteinden te tekenen. De uiteinden van een ellips zijn altijd ronde bogen. Oefen het door een rij ellipsen te tekenen van smal tot breed, en leg er een stapel kopjes of een fiets naast om te vergelijken.

    Tips om perspectief goed te krijgen

    • Gebruik een liniaal voor de hulplijnen, maar teken het onderwerp zelf met losse hand.
    • Teken licht zodat je hulplijnen kunt wegvegen.
    • Houd één horizon aan. Meer horizonlijnen in één tekening geven een vreemd effect.
    • Zet je verdwijnpunten ver uit elkaar bij tweepuntsperspectief.
    • Laat dingen overlappen. Wat vooraan staat, bedekt wat erachter staat. Dat geeft diepte, zonder lijnen.
    • Varieer in dikte. Dikkere lijnen vooraan, dunnere achteraan.
    • Kijk naar foto’s en leg er een liniaal op, om de verdwijnpunten te vinden.

    Veelgemaakte fouten bij perspectief tekenen

    • Verschillende horizons in één tekening. Houd één lijn aan.
    • Verdwijnpunten die niet op de horizon liggen. Dat geeft een scheef beeld.
    • Verticale lijnen die schuin lopen. In de standaardmethode blijven ze recht.
    • Te dicht bij elkaar geplaatste verdwijnpunten. Dat vervormt.
    • Objecten die niet kleiner worden. Dingen op afstand zijn kleiner.
    • Te veel hulplijnen laten staan. Gum ze weg of maak ze heel licht.

    Oefeningen voor perspectief tekenen

    • Week 1: teken tien kamers in eenpuntsperspectief met een ander verdwijnpunt (links, midden, rechts, hoog, laag).
    • Week 2: teken tien dozen in tweepuntsperspectief, van groot naar klein.
    • Week 3: teken een straat met vijf huizen.
    • Week 4: teken je eigen kamer vanuit je stoel. Meet de verhoudingen met je potlood.
    • Elke week: één schets op locatie. Hoe je dat doet, lees je bij schetsen in onze gids.

    Perspectief bij portretten en dieren

    Perspectief is niet alleen voor gebouwen. Een hoofd dat draait, krijgt gebogen hulplijnen, en een gezicht van schuin onderen laat de neus groter lijken. Wie een portret van opzij of schuin wil tekenen, gebruikt dezelfde logica. Meer daarover staat in onze gids over portret tekenen. Bij dieren speelt voorverkorting een rol: een hond die naar je toe loopt, laat zijn kop groot en zijn lijf kort zien. Hoe je dat aanpakt, lees je bij dieren tekenen. En bij manga is perspectief een belangrijk middel om beweging en dramatiek te laten zien, zoals beschreven in manga tekenen. Perspectief werkt ook met kleur: een landschap met pastelkrijt wint aan diepte als je de achtergrond lichter en blauwer maakt, zie pastelkrijt.

    Veelgestelde vragen over perspectief tekenen

    Hoe begin je met perspectief tekenen?

    Teken een horizonlijn, zet er een verdwijnpunt op en teken een rechthoek als achterwand. Trek vanuit het verdwijnpunt hulplijnen door de hoeken en teken de voorkant. Zo maak je een eenvoudige kamer in eenpuntsperspectief.

    Wat is het verschil tussen eenpuntsperspectief en tweepuntsperspectief?

    Bij eenpuntsperspectief kijk je recht op een vlak en is er één verdwijnpunt. Bij tweepuntsperspectief kijk je op een hoek en zijn er twee verdwijnpunten. Tweepuntsperspectief wordt vaak gebruikt voor gebouwen.

    Wat is een verdwijnpunt?

    Het punt op de horizon waar lijnen die in werkelijkheid evenwijdig lopen, samen lijken te komen. Het wordt gebruikt om alle lijnen in een tekening te laten kloppen.

    Hoe teken ik een gebouw in perspectief?

    Begin met een eenvoudige doos in tweepuntsperspectief, teken de voorste hoek als verticale lijn en trek hulplijnen naar twee verdwijnpunten. Voeg daarna dak, ramen en deuren toe.

    Waarom worden cirkels ellipsen?

    Een cirkel die je onder een hoek bekijkt, wordt een ellips. Hoe schuiner je kijkt, hoe smaller de ellips. Teken de ellips in een vierkant in perspectief.

    Hoe teken ik perspectief voor een landschap?

    Houd de horizon bewust laag of hoog, maak dingen kleiner naarmate ze verder weg staan en maak de achtergrond lichter en blauwer. Wegen en rijen bomen lopen naar de horizon.

    Heb ik een liniaal nodig voor perspectief tekenen?

    Voor hulplijnen is het handig. Het onderwerp zelf teken je met losse hand. Met oefening gaat het ook zonder liniaal.

    Hoe oefen ik perspectief tekenen als kind of beginner?

    Begin met dozen en een kamer, teken veel en klein, en gebruik foto’s van straten. Vijftien minuten per dag is genoeg.

    Verder lezen

    Perspectief tekenen geeft elke tekening diepte. Zo ga je verder:

  • Pastelkrijt voor beginners: soorten, papier, technieken en fixeren

    Pastelkrijt voor beginners: soorten, papier, technieken en fixeren

    Pastelkrijt is gemaakt van gemalen pigment met een beetje bindmiddel, en je gebruikt het door het direct op het papier te strijken. Je kunt het mengen met je vinger, laag over laag opbouwen en kleuren naast elkaar zetten. Voor een goed resultaat heb je papier met korrel nodig, want alleen dan blijft het poeder zitten. De rest, zoals fixeren en bewaren, leer je met een paar eenvoudige regels.

    Wie een tekening wil met diepe, zachte kleuren, zonder kwast en water, komt bijna vanzelf bij pastelkrijt uit. In dit artikel lees je welke soorten er zijn, hoe je een eerste set kiest, welk papier past en hoe je een pastelkrijt tekening afwerkt. Voor de basis van tekenen kun je terecht bij leren tekenen.

    Kort samengevat

    • Zacht pastelkrijt is het meest gebruikt en geeft rijke, mengbare kleuren, maar ook veel stof.
    • Hard pastelkrijt is geschikt voor lijnen en details, en voor een eerste schets.
    • Pastelkrijt heeft papier met korrel nodig. Glad papier houdt het poeder niet vast.
    • Een fixeerspray houdt losse deeltjes op hun plek, maar kan kleuren dof maken.
    • Werk van licht naar donker en bewaar je tekening plat, met een vel vloeipapier erop.

    Wat is pastelkrijt?

    Pastelkrijt bestaat uit pigment dat met een bindmiddel tot staafjes is gedrukt. De pigmenten lijken volgens het Wikipedia-artikel over pastel op die in olieverf. Traditioneel gebruikt men gom arabicum of gom tragacanth als bindmiddel, en voor lichtere tinten voegt men vaak krijt of gips toe. Het resultaat is een kleurstift die zachter is dan potlood, maar droger dan verf.

    Het mooie van pastelkrijt is dat je direct met kleur werkt. Er is geen wachttijd om te drogen, je hoeft niets te mengen op een palet en je ziet meteen wat je doet. Het nadeel is dat het poeder stoft en dat een tekening kwetsbaar is. Daar komen we bij het onderdeel fixeren op terug.

    Welke soorten pastelkrijt zijn er?

    Je vindt in de winkel verschillende soorten. Dit is het verschil:

    Zachte pastelkrijt, harde pastelkrijt en pastelpotloden naast elkaar
    Zacht, hard en potlood.
    • Zacht pastelkrijt. Veel pigment, weinig bindmiddel. Het meest gebruikt, geeft intense kleuren en mengt makkelijk, maar stoft en breekt snel.
    • Hard pastelkrijt. Meer bindmiddel, minder pigment. Het geeft scherpe lijnen en is geschikt voor details en een eerste schets, maar de kleuren zijn minder briljant.
    • Pastelpotloden. Potloden met een pastelkern. Handig voor kleine details, zoals ogen of grassprieten.
    • Oliepastel. Een andere techniek, met een romige structuur en felle kleuren. Het hoeft niet gefixeerd te worden, maar vlekt en mengt anders dan gewoon pastelkrijt.
    • Wateroplosbaar pastel. Met een natte kwast maak je er transparante lagen van.
    • Pan pastel. Pigment in platte potjes, die je met een sponsje aanbrengt.

    Voor een eerste set is een doos met 24 of 36 halve zachte stiften (de korte soort) een goede start. Een kleinere set mengt snel, en je leert meer van een beperkt palet dan van honderd kleuren. Bekende merken die je in Nederland ziet zijn onder andere Rembrandt en de pastelkrijt van Action of de hobbywinkel. Wie pastelkrijt kopen overweegt, let vooral op de pigmentkwaliteit en niet op de doos.

    Papier voor pastelkrijt

    Dit is het belangrijkste onderdeel. Pastelkrijt blijft alleen zitten op papier met voldoende grip. Het Wikipedia-artikel over pastel noemt dit “tooth”: een oppervlak dat het pigment vasthoudt. Je kunt kiezen uit:

    • Pastelpapier met korrel. Er zijn speciale pastelpapieren, vaak in gekleurde tinten. Een middentint maakt het makkelijker om licht en donker te zetten.
    • Fluweelpapier. Zacht en geschikt voor zacht pastelkrijt, maar duurder.
    • Schuurpapierachtig papier. Papier met een laagje fijn steenpoeder. Het houdt veel pigment vast en laat je meerdere lagen maken.
    • Gewoon tekenpapier. Kan voor een eerste proef, maar de eerste laag houdt hij nog, daarna wordt het glad.

    Kies voor een permanente tekening papier zonder zuur, zodat het niet geel wordt. Gebruik ook een gekleurde ondergrond: op donkergroen of grijs papier komen lichte kleuren veel sterker naar voren dan op wit.

    Technieken: zo werk je met pastelkrijt

    Vlakken kleuren

    Breek een stuk krijt in tweeën en gebruik de zijkant om grote vlakken in te kleuren. De punt gebruik je voor lijnen en details. Zo ga je snel en blijft je hand ontspannen.

    Mengen

    Wrijf met je vinger, een doekje of een mengstift over twee kleuren die naast elkaar liggen, zodat ze in elkaar overgaan. Lichte druk geeft zachte overgangen. Houd je handen schoon: het kleurpigment verspreidt zich over je hele papier.

    Een vinger mengt zacht pastelkrijt op papier
    Mengen met je vinger.

    Lagen opbouwen

    Begin met een lichte laag en werk naar donker. Werk niet te hard aan de eerste lagen: het papier moet nog korrel overhouden voor de volgende. Gebruik de laatste, donkerste en lichtste accenten pas aan het einde.

    Kleuren naast elkaar zetten

    In plaats van te mengen kun je ook korte streepjes van verschillende kleuren naast elkaar zetten. Je oog mengt ze op afstand. Dit geeft een levendig resultaat en is een bekende techniek bij pastelkunstenaars.

    Schraffeer en kruisarcering

    Met parallelle streken en daarover heen kruisende streken bouw je dichte kleurvlakken op, zonder te mengen. Dit werkt goed met harde pastelkrijt en pastelpotloden.

    Wissen en corrigeren

    Pastelkrijt kun je met een kneedgum voorzichtig weghalen. Wil je een fout oplossen, klop dan eerst losse poeder van het papier en werk er daarna overheen.

    Een eenvoudige eerste oefening: een zonsondergang

    Een zonsondergang is een goed onderwerp om mee te beginnen, omdat je alleen kleuren hoeft te mengen.

    Een pastelkrijttekening van een zonsondergang op donker papier
    Oefening: een zonsondergang in lagen.
    1. Kies een donkerblauw of grijs papier.
    2. Kleur met de zijkant van een geel stuk krijt een brede strook vlak boven de horizon.
    3. Voeg daarboven oranje, dan roze en dan paars toe. Laat de banden elkaar iets overlappen.
    4. Meng de overgangen met je vinger, van licht naar donker.
    5. Teken met donkerbruin of zwart een eenvoudige horizon, bijvoorbeeld heuvels of een rij bomen.
    6. Zet met wit of lichtgeel een paar accenten van zonlicht.

    Bij dit onderwerp leer je kleuren mengen en lagen werken. Voor landschappen met meer diepte lees je later perspectief tekenen.

    Pastelkrijt fixeren

    Fixatief is een spuitbus met een vernis die losse deeltjes vastzet. Het Wikipedia-artikel over pastel benadrukt dat fixatief het uitsmeren niet volledig voorkomt en dat het kleuren dof of donkerder kan maken. Haarlak wordt afgeraden, omdat het niet zuurvrij hoeft te zijn.

    Daarom werken veel pastellisten zo:

    • Fixeer tussendoor met een dun laagje, zodat je de volgende laag kunt opbouwen.
    • Gebruik aan het eind weinig of niets, zodat de kleuren helder blijven.
    • Bewaar plat en leg een vel vloeipapier of bakpapier over de tekening.
    • Lijst hem in met een passepartout, zodat het glas het pastel niet raakt.

    Spuit altijd buiten of in een goed geventileerde ruimte, en volg de aanwijzingen op de spuitbus.

    Waar kun je pastelkrijt voor gebruiken?

    Pastelkrijt past bij veel onderwerpen:

    • Landschappen en luchten, waar zachte overgangen mooi uitkomen.
    • Dieren, voor zachte vacht en veren. Zie ook dieren tekenen.
    • Portretten, voor een natuurlijke huidtint. Lees portret tekenen.
    • Stillevens, zoals fruit en bloemen.
    • Illustratie en stripstijl, met dikke kleurvlakken. Een bekende stap is manga tekenen.

    Veelgemaakte fouten met pastelkrijt

    • Te glad papier. Het poeder blijft niet zitten.
    • Te hard drukken in de eerste laag. De korrel raakt dicht, en je kunt niets meer toevoegen.
    • Te veel fixeren. Je kleuren worden dof.
    • Met nat papier werken. Pastelkrijt en vocht gaan alleen samen bij speciale, wateroplosbare soorten.
    • De tekening niet beschermen. Pastel smeert snel, ook bij het aanraken met je hand.

    Een pastelkrijt-schets opbouwen in drie lagen

    Pastelkrijt werkt het best als je van licht naar donker, en van los naar vast werkt. Een vaste volgorde helpt om niet te vroeg te veel krijt op het papier te leggen, want dan raakt het oppervlak verzadigd en pakt het geen nieuwe laag meer.

    1. Eerste laag: vlakken. Leg met de zijkant van het krijt grote kleurvlakken neer. Druk licht aan. Verdeel ze met je vinger of een doek om een zachte basis te krijgen.
    2. Tweede laag: vormen. Gebruik nu de punt of een hardere pastel om vormen en randen aan te geven. Werk van de middentonen naar de donkerste partijen.
    3. Derde laag: accenten. Zet als laatste de lichtste lichtpunten en de donkerste schaduwen. Hou het sober, want dit zijn de kleine details die een tekening laten opvallen.

    Krijt, stof en een schone werkplek

    Pastelkrijt maakt stof, en dat wil je niet inademen of door je hele huis laten verspreiden. Werk met een schort of oude kleren, leg een vel krantenpapier onder je tekening en houd een vochtige doek of vochtige doekjes bij de hand. Leg het papier schuin op een ezel of tekenplank, zodat overtollig stof van het papier valt in plaats van erop te blijven liggen.

    • Blaas niet op je tekening, maar tik het papier voorzichtig om bij een ezel of tafel.
    • Werk bij voorkeur in een ruimte die je kunt luchten.
    • Gebruik eventueel een masker als je veel en lang werkt.
    • Was je handen goed voordat je iets anders aanraakt.

    Een schildersezel is ook een goede plek voor pastelwerk, omdat de tekening rechtop staat en het stof naar beneden valt. Meer daarover lees je in onze gids over schildersezels.

    Kleuren bewaren en ordenen

    Pastelkrijtjes breken, vlekken en raken door elkaar. Bewaar ze daarom in een doos met vakjes, op kleur gesorteerd, en leg eventueel een laagje zachte stof of schuimrubber onder de krijtjes. Een los krijtje dat in kleine stukjes uit elkaar valt, kun je gerust blijven gebruiken. Het is niet minder bruikbaar, alleen minder handig vast te houden. Bewaar vervuilde krijtjes apart, of veeg ze schoon met een zachte doek.

    Veelgestelde vragen over pastelkrijt

    Wat is pastelkrijt?

    Pastelkrijt is een tekenmateriaal van gemalen pigment dat met een bindmiddel tot staafjes is gedrukt. Je tekent er direct mee op papier, en je kunt de kleuren met je vinger mengen. Het heeft papier met korrel nodig om te blijven zitten.

    Welk pastelkrijt is het best voor beginners?

    Een set van 24 of 36 zachte pastelkrijten, aangevuld met een paar harde stiften of pastelpotloden voor details. Een kleine set met een mooi palet leert je meer dan een grote doos.

    Op welk papier gebruik je pastelkrijt?

    Op papier met korrel, zoals pastelpapier of schuurpapierachtig papier. Glad tekenpapier houdt het poeder niet vast. Een gekleurde ondergrond maakt het makkelijker om licht en donker te zetten.

    Hoe fixeer je pastelkrijt?

    Met een fixeerspray, in dunne laagjes en op afstand. Fixatief kan kleuren dof of donker maken, dus gebruik het zuinig. Bewaar de tekening daarnaast plat met een vel vloeipapier.

    Is pastelkrijt giftig?

    Pastelkrijt bestaat uit pigmenten, en sommige pigmenten zijn schadelijk als je ze inademt of inslikt. Lees de aanwijzingen op de verpakking, was je handen na het tekenen en gebruik een stofmasker als je veel poeder maakt. Zoek bij twijfel de veiligheidsinformatie van het merk op.

    Hoe meng je pastelkrijt?

    Met je vinger, een doekje, een papieren mengstift of een sponsje. Gebruik lichte druk en meng van licht naar donker. Je kunt ook kleuren naast elkaar zetten en je oog laten mengen.

    Kun je pastelkrijt met water gebruiken?

    Alleen wateroplosbaar pastel. Met een natte kwast maak je daarmee transparante lagen. Gewoon zacht pastelkrijt gebruik je droog.

    Hoe bewaar je een pastelkrijt tekening?

    Plat, met een vel vloeipapier of bakpapier erover, en liefst in een lijst met passepartout, zodat het glas het pastel niet raakt. Fixeer alleen als je de kleuren er niet te veel mee kwijtraakt.

    Verder lezen

    Pastelkrijt vraagt oefening met papier en druk, maar het resultaat is zacht en kleurrijk. Dit zijn goede volgende stappen:

  • Dieren tekenen in stappen: zo teken je een dier dat echt lijkt te leven

    Dieren tekenen in stappen: zo teken je een dier dat echt lijkt te leven

    Dieren tekenen begint met eenvoudige vormen: een cirkel of ovaal voor de kop, een grotere ovaal voor het lijf en lijnen voor de poten. Pas als die verhoudingen kloppen, werk je de details uit: oren, ogen, neus en vacht. Met een potlood, een gum en een rustig half uur teken je zo een herkenbaar dier, ook als je nog nooit eerder hebt getekend.

    Het fijne aan dieren tekenen is dat ze je vergeven. Een scheve snuit of een te korte staart maakt een dier vaak juist levendiger. In dit stappenplan leer je hoe je een dier opbouwt, hoe je makkelijk dieren tekent als beginner, en waar je op let als je realistisch wilt gaan werken. Algemene basis voor tekenaars staat in onze pagina leren tekenen.

    Kort samengevat

    • Bouw elk dier op uit een paar basisvormen: cirkels, ovalen en lijnen.
    • Teken eerst licht met een potlood en trek pas daarna de lijnen over.
    • Let op de verhoudingen: kop, lijf en poten staan in vaste verhouding tot elkaar.
    • Vacht, veren en ogen maken het dier levend. Doe dat als laatste.
    • Teken naar een foto of een echt dier, en vergelijk steeds met het origineel.

    Waarom dieren tekenen zo goed werkt voor beginners

    Dieren zijn een goed onderwerp voor wie net begint, omdat ze veel vormen herhalen. Een hond, een kat en een paard hebben een kop, een lijf, vier poten en een staart. Als je dat basisprincipe kent, kun je elk dier tekenen met kleine aanpassingen.

    Daarnaast hoef je geen perspectief te kennen om een dier van opzij te tekenen. Een profieltekening is de makkelijkste. Je ziet de hele vorm, en elk onderdeel zit op zijn plek. Pas daarna probeer je een dier van voren of schuin van boven, en dat vraagt meer oefening met perspectief tekenen.

    Een goed voorbeeld van hoe geduldig en precies een dierentekening kan zijn, is Jonge haas van Albrecht Dürer uit 1502. Volgens het Wikipedia-artikel over Young Hare maakte hij het in zijn werkplaats in Neurenberg met aquarel en dekkende verf, en het hangt sinds 1691 in het Albertina in Wenen. Je hoeft het niet na te maken, maar kijk eens hoe elke haar van de vacht een eigen richting heeft: dat is de kracht van goed kijken.

    Wat heb je nodig om dieren te tekenen?

    Je hebt weinig materiaal nodig:

    • Potloden. Een HB voor de eerste schets, een 2B voor donkere delen. Meer hoeft niet.
    • Een gum. Een zachte gum haalt hulplijnen weg zonder het papier te beschadigen.
    • Tekenpapier. Een blok van 120 tot 160 gram (richtwaarde) kan tegen gum en potlood.
    • Een puntenslijper. Een scherpe punt geeft je controle over lijnen en haren.
    • Een voorbeeld. Een foto, een boek of een echt dier. Zonder voorbeeld teken je het dier uit je geheugen, en dat gaat bijna altijd mis.

    Dieren tekenen in stappen

    Dit stappenplan werkt voor bijna elk zoogdier. We gebruiken een hond als voorbeeld.

    Dier eerst in basisvormen, dan met omtrek
    Eerst de vormen, dan pas de omtrek.

    Stap 1: zoek de basisvormen

    Kijk naar je voorbeeld en zie het dier als een rij simpele vormen. Een cirkel voor de kop, een grote ovaal voor de borst, een iets kleinere ovaal voor de achterkant en lijnen voor de poten en de staart. Teken die vormen heel licht, bijna alsof je ze alleen aanraakt met je potlood.

    Stap 2: let op de verhoudingen

    Dit is de stap die het verschil maakt. Vergelijk de grootte van de onderdelen: hoe breed is de kop ten opzichte van het lijf? Hoe lang zijn de poten? Een handige truc is de kop als maat te gebruiken. Bij veel dieren past het lijf een paar keer in de lengte, en de poten zijn zo lang als een of twee koppen. Meet dit voor je dier na met je potlood, op armlengte.

    Dierentekening met hulplijnen voor verhoudingen
    Meten met hulplijnen voorkomt scheve verhoudingen.

    Stap 3: verbind de vormen

    Teken nu soepele lijnen om de losse vormen te verbinden: de nek, de rug, de buik. Zo ontstaat een silhouet. Bekijk het resultaat: lijkt het op het dier? Pas het nu aan, want daarna is het veel lastiger.

    Stap 4: werk de kop uit

    De kop bepaalt het karakter. Teken eerst hulplijnen: een verticale lijn door het midden en een horizontale lijn waar de ogen komen. Zet de ogen op die lijn, daarna de neus en de mond. Teken de oren op de juiste plek. Let op de afstand tussen de ogen, want die is bij elk dier anders.

    Stap 5: poten, voeten en staart

    Poten zijn lastig, omdat ze een knik hebben die niet lijkt op die van een mens. Teken eerst de lijn van de bovenpoot, dan de knik en dan de onderpoot. Pas daarna de voet. Voor een eerste tekening mag je de voeten eenvoudig houden.

    Stap 6: vacht, veren of schubben

    Met korte, afgeronde streken in de richting van de groei maak je vacht. Kijk goed naar de richting: op de rug ligt vacht anders dan op de buik. Bij veren teken je kleine overlappende bogen, bij schubben een patroon van kleine vormen. Begin niet met elk haar, maar met groepen.

    Stap 7: schaduw en diepte

    Bepaal waar het licht vandaan komt. Maak de kant die van het licht afgekeerd is iets donkerder, vooral onder de buik, onder de kin en tussen de poten. Gebruik de zijkant van je potlood en smeer zachtjes met je vinger of een doekje.

    Stap 8: de ogen en laatste details

    Een dier komt pas tot leven in de ogen. Laat een klein wit vlekje (het lichtpuntje) onaangeroerd staan en maak de rest van het oog donker. Dat ene puntje geeft je dier een blik.

    Makkelijke dieren om mee te beginnen

    Niet elk dier is even moeilijk. Dit zijn goede eerste onderwerpen:

    • Vis. Een ovale vorm met een staart en vinnen. Weinig details nodig.
    • Konijn. Een bol lichaam, een ronde kop en lange oren.
    • Uil. Een groot ovaal lijf met twee grote ogen. Zie ook onze pagina over tekenen uil.
    • Hond. Een klassieker, en handig omdat je er zo veel foto’s van hebt. Lees tekenen hond.
    • Kat. Zitten of liggen is makkelijker dan lopen.
    • Giraf. Lange poten en nek, een patroon van vlekken. Meer in tekenen giraf.

    Wie liever schattige dieren tekent, met grote ogen en ronde vormen, vindt dat in dieren tekenen schattig.

    Dieren tekenen met cijfers of met raster

    Een populaire methode is dieren tekenen met cijfers of met een raster. Je legt een raster over je voorbeeld en teken in elk vak wat je ziet. Zo leer je hoe vormen zich tot elkaar verhouden, zonder dat je alles tegelijk hoeft te overzien. Ook bij dieren tekenen met cijfers, waarbij elk deel van de tekening een nummer krijgt, werkt het principe van opdelen in kleine stappen. Het is geen vals spelen, maar een manier om je oog te trainen.

    Realistisch dieren tekenen

    Wil je dieren realistisch tekenen, dan komt het aan op goed kijken. Dit zijn de belangrijkste punten:

    1. Gebruik een goed voorbeeld. Een scherpe foto met duidelijk licht geeft je veel meer informatie dan een kleine afbeelding.
    2. Teken de grote vormen eerst. Wie meteen aan de haren begint, verliest de verhoudingen.
    3. Werk met meerdere lagen. Begin licht en maak donkerder naarmate je meer details toevoegt.
    4. Let op de richting van de vacht. Elk dier heeft een eigen patroon, en dat bepaalt het karakter.
    5. Gebruik verschillende potloden. Een harde potlood (2H) voor lichte delen, een zachte (4B) voor de donkerste.
    6. Pas op voor te veel schaduw. Houd het licht licht. Veel beginners maken hun dieren te donker.

    Dieren tekenen moeilijk? Dat hoeft niet. Het gaat vooral om geduld. Teken de eerste dagen een paar kleine schetsen van een dier in verschillende houdingen, en bouw dan op.

    Tekenen met pastel of kleur

    Zodra je de vorm beheerst, kun je met kleur gaan werken. Pastelkrijt is bij dieren populair, omdat je er zachte vachten mee maakt. Meer daarover lees je op onze pagina pastelkrijt. Wie liever een stripachtige stijl wil, kijkt bij manga tekenen. Een portret van een huisdier is vaak een goede stap tussen dieren en portret tekenen.

    Dier getekend met pastelkrijt
    Pastelkrijt geeft een zachte vacht.

    Veelgemaakte fouten bij dieren tekenen

    • Beginnen met de details. Eerst de vorm, dan de ogen.
    • Te hard drukken. Je krijgt het niet meer weg.
    • Poten vergeten of te kort maken. Poten zijn vaak langer dan je denkt.
    • Zonder voorbeeld tekenen. Zelfs ervaren tekenaars doen dit zelden.
    • Elk haar tekenen. Teken groepen haren en laat de rest aan het oog over.

    Veelgestelde vragen over dieren tekenen

    Hoe begin je met dieren tekenen?

    Je begint met simpele vormen: een cirkel voor de kop, een ovaal voor het lijf en lijnen voor de poten. Teken ze licht met potlood en vergelijk de verhoudingen met je voorbeeld. Pas als die kloppen, werk je kop, poten en vacht uit.

    Welk dier is het makkelijkst om te tekenen?

    Een vis, een konijn of een uil. Ze bestaan uit weinig vormen en hebben weinig lastige details zoals poten of een knik. Ook een kat in zittende houding is voor beginners prima te doen.

    Hoe teken je dieren makkelijk als beginner?

    Gebruik een foto, bouw het dier op uit basisvormen en werk in stappen. Neem de tijd voor de verhoudingen. Het is vaak beter om drie eenvoudige dieren te tekenen dan één lastig dier af te maken.

    Hoe teken je een dier met potlood?

    Begin met een harde potlood (HB) voor de eerste lijnen. Werk licht, gum bij en trek de definitieve lijnen over. Gebruik een zachtere potlood (2B of 4B) voor schaduw en donkere delen, en smeer die voorzichtig uit.

    Hoe teken je vacht?

    Met korte streken in de groeirichting van de vacht. Begin met groepen haren in plaats van elk haar, laat lichte plekken wit staan en maak de schaduwen donkerder. Kijk goed naar je voorbeeld: vacht ligt op elke plek anders.

    Hoe maak je een dier realistisch?

    Door goed te kijken en in lagen te werken. Begin met de grote vormen, voeg dan schaduw toe en werk pas aan het eind de kleine details uit. Een scherpe foto als voorbeeld helpt enorm.

    Is het erg om een foto na te tekenen?

    Nee. Tekenen naar een foto is een goede manier om te leren kijken, ook voor ervaren tekenaars. Gebruik wel je eigen foto’s of foto’s die je mag gebruiken als je je tekening wilt delen of verkopen.

    Hoe lang duurt het om een dier te tekenen?

    Een eenvoudige schets kost een kwartier. Een uitgewerkte tekening met vacht en schaduw een uur of meer. Dat verschilt per dier en per persoon.

    Verder lezen

    Dieren tekenen leer je door veel kleine tekeningen te maken. Dit zijn goede volgende stappen:

  • Portret tekenen: zo teken je stap voor stap een gezicht dat klopt

    Portret tekenen: zo teken je stap voor stap een gezicht dat klopt

    Portret tekenen begint niet bij de ogen, maar bij de verhoudingen. Teken eerst een ovaal voor het hoofd, verdeel dat met lichte hulplijnen in stukken, en zet pas daarna ogen, neus en mond op de plek waar ze horen. Met een potlood, een gum en een uur rust lukt portret tekenen ook als je net begint.

    Veel beginners starten met een oog, omdat dat het meest herkenbaar is. Daardoor groeit de rest van het gezicht scheef om dat oog heen. Wie eerst het geheel opzet, hoeft later minder te gummen. In deze gids lees je hoe portret tekenen werkt: de basis, een stappenplan, de verschillende materialen en de fouten die bijna iedereen maakt. Zoek je eerst een breder startpunt, kijk dan in ons overzicht leren tekenen.

    Kort samengevat

    • Begin met een ovaal en hulplijnen. De ogen zitten ongeveer halverwege het hoofd.
    • Werk van groot naar klein: eerst vorm en verhoudingen, dan details.
    • Teken wat je ziet, niet wat je denkt te weten. Een oog is geen amandel met een bolletje.
    • Schaduw maakt een gezicht rond. Gebruik drie tot vier tonen en geen harde omlijning.
    • Een gum is gereedschap. Je tekent ook met licht, niet alleen met donker.

    Waarom portret tekenen moeilijk lijkt (en dat minder is dan je denkt)

    We zijn extreem goed in gezichten herkennen. Daardoor zien we meteen dat er iets niet klopt, ook als we niet kunnen zeggen wat. Een neus die twee millimeter te laag zit, zorgt al voor een ander karakter. Die gevoeligheid maakt portret tekenen spannend, maar ze werkt ook voor je: je ogen merken fouten snel op, dus je kunt ze ook snel herstellen.

    Het goede nieuws is dat een gezicht een vast bouwplan heeft. De afstanden tussen ogen, neus en mond verschillen per persoon, maar de grote lijnen zijn bij bijna iedereen hetzelfde. Wie die lijnen kent, begint met een voorsprong. De Amerikaanse illustrator Andrew Loomis maakte er in de vorige eeuw een heel leerboek van. Zijn Loomis-methode bouwt het hoofd op uit een bol met vlakken en hulplijnen en is nog steeds een veelgebruikt uitgangspunt voor portret tekenen, omdat je er elk hoofd mee van elke hoek kunt opzetten.

    Daarnaast helpt het om te weten dat nauwkeurig kijken belangrijker is dan handigheid. Veel mensen die zeggen dat ze niet kunnen tekenen, kunnen wel kijken, alleen doen ze het niet lang genoeg. Een portret tekenen is voor een groot deel geduldig meten en vergelijken.

    De verhoudingen van het gezicht

    Voor portret tekenen met verhoudingen gebruik je een paar vuistregels. Zie ze als richtwaarden: ieder gezicht wijkt er een beetje van af, en juist die afwijking maakt het herkenbaar.

    Potloodschets van een ovaal met hulplijnen voor ogen, neus en mond naast een potlood en gum
    De ogen zitten op de horizontale hulplijn, halverwege het hoofd.
    • Ogen halverwege. De ogen zitten ongeveer op de helft van de hoogte van het hoofd, niet bovenin zoals de meeste beginners tekenen. Onder de ogen zit dus de helft van het gezicht.
    • Oogbreedte. Tussen de ogen past ongeveer de breedte van een oog. Het hele gezicht is op de ooghoogte ongeveer vijf ogen breed.
    • Neus en mond. De onderkant van de neus zit grofweg halverwege tussen ogen en kin. De mond zit ongeveer een derde van de afstand tussen neus en kin.
    • Oren. De bovenkant van het oor zit ter hoogte van de wenkbrauw, de onderkant ter hoogte van de neusbasis.
    • Haargrens. De haargrens zit lager dan je denkt. Het schedeldak is hoger dan het voorhoofd, dus zet de bovenkant van het hoofd niet te laag.

    Meet je tekening tussendoor na met je potlood. Houd het op armlengte voor je model of foto, klem je duim op de juiste lengte en leg het potlood op je papier. Je ziet meteen waar een afstand te groot of te klein is.

    Het gezicht van opzij

    Bij een profiel verandert de indeling. Het hoofd is van voor naar achter ongeveer even diep als hoog, en het oor zit midden in die diepte, iets achter de middenlijn. Veel beginners tekenen de schedel te smal. Teken eerst de hele bol en snijd er aan de voorkant het gezicht uit.

    Het hoofd in drieën gedeeld

    Een eenvoudige hulp is het hoofd in drie gelijke stukken delen: haargrens tot wenkbrauwen, wenkbrauwen tot neusbasis en neusbasis tot kin. Het is niet exact, maar wel een snelle controle als iets er raar uitziet.

    Portret tekenen stap voor stap

    Dit stappenplan werkt met potlood op gewoon tekenpapier. Gebruik een foto van iemand die je kent, bij voorkeur met zacht licht van de zijkant, zodat de schaduwen duidelijk zijn.

    Stap 1: de grote vorm

    Teken een ovaal, iets breder bij de kaken en smaller bij de kin. Trek een verticale middenlijn en een horizontale lijn voor de ogen. Druk heel licht. Deze lijnen zijn bouwtekening en moeten later weg.

    Stap 2: de hulplijnen

    Verdeel het onderste deel van het gezicht met twee lijnen voor de neusbasis en de mond. Zet daarna kleine streepjes voor de ooghoeken en de mondhoeken. Kijk goed of de lijnen bij jouw model niet wat schuin staan. Een gezicht dat iets draait, heeft gebogen hulplijnen.

    Stap 3: ogen, neus en mond als vlakken

    Zet nog geen details neer. Teken de ogen als twee eenvoudige vormen, de neus als een blokje met een schaduwkant en de mond als een lijn met een onder- en bovenlip. Controleer de afstanden. Klopt het? Dan pas verder.

    Stap 4: de contour en het haar

    Werk nu de kaaklijn, de kin en de oren uit. Haar teken je als een vorm met richting, niet als losse haartjes. Kijk waar het valt, waar het licht pakt en waar het donker is. Een paar lijnen in de groeirichting zijn genoeg.

    Stap 5: schaduw en vorm

    Kijk met half dichtgeknepen ogen naar je model. Alles wat donker blijft, is schaduw. Leg die eerst als een egale, lichte laag neer. Werk vervolgens van licht naar donker, met telkens iets meer druk. Smeer zachte overgangen uit met een vingertop of een papieren wisser.

    Hand zet met een potlood schaduw op een getekend portret, kneedgum ligt ernaast
    Schaduw bouw je op in lagen, met een kneedgum haal je licht terug.

    Stap 6: details en lichtpunten

    Pas nu komen wimpers, pupillen, lippenlijn en nasolabiale plooien. Houd ze zacht. Een oog met een harde zwarte rand ziet er snel poppig uit. Neem met een kneedgum lichte plekken terug, bijvoorbeeld de glans in het oog of op de onderlip. Dat geeft het portret leven.

    Welk materiaal kies je voor portret tekenen

    Het materiaal bepaalt de uitstraling van je portret. Er is geen beste keuze, wel een beste keuze voor jou.

    Potloden, houtskool en pastelkrijt naast elkaar op tekenpapier
    Potlood, houtskool en pastelkrijt geven elk een eigen karakter aan een portret.

    Potlood

    Potlood is de makkelijkste start. Een set met HB, 2B en 4B is genoeg. De letters staan voor hardheid (H) en zwartheid (B); hoe meer B’s, hoe zachter en donkerder. Er is geen vaste norm tussen merken, zoals de uitleg over potloodgraderingen laat zien, dus een 2B van het ene merk kan er anders uitzien dan van het andere. Meer lezen over deze basis kan in onze uitleg over tekenen met potlood.

    Houtskool

    Houtskool geeft diep zwart en brede vlakken. Het past bij portret tekenen met karakter, vooral als je gezichten met een dramatisch licht wilt. Vinehoutskool is zacht en makkelijk weg te vegen, geperste houtskool is donkerder en blijft beter zitten. Houd je tekening na afloop met fixatief op zijn plek, omdat het stof anders makkelijk smeert. Voor beginners lees je er meer over in houtskool tekenen.

    Pastelkrijt

    Met pastelkrijt teken je portretten met warme huidskleuren. Het vraagt wat meer ervaring, omdat je kleuren over elkaar legt en niet kunt gummen. Op getint papier werkt het mooi: de papierkleur doet het werk van de middentoon. Alles over deze techniek staat bij pastelkrijt.

    Papier

    Kies papier met een lichte structuur, ongeveer 120 tot 200 gram per vierkante meter. Te glad papier pakt weinig potlood, te grof papier maakt kleine details lastig. Een tekenblok met stevig papier is voor beginners de beste keuze.

    Tekenen naar een foto of naar een echt model

    Een foto is rustig: hij beweegt niet, krijgt geen stijve nek en laat zich eindeloos bekijken. Daarom starten de meeste beginners met een foto. Kies er een met duidelijk licht en een open blik, en print hem uit op ongeveer het formaat van je tekening. Dat maakt meten veel makkelijker, omdat je een afstand op de foto één op één kunt overnemen.

    Een levend model geeft meer informatie, maar vraagt meer concentratie. Je ziet de ruimte rond het hoofd, de kleur van de huid en hoe het licht verandert. Werk dan in korte rondes van tien tot twintig minuten, en vraag het model om tussendoor te bewegen. Een zelfportret met een spiegel is de makkelijkste vorm: het model is altijd beschikbaar en je wordt vanzelf kritisch.

    Draai bij twijfel je tekening en je foto allebei ondersteboven. Dan herken je het gezicht niet meer en kijk je naar lijnen en vormen in plaats van naar een gezicht. Fouten in afstanden vallen dan direct op. Het is een oude truc, maar hij werkt omdat je hersenen je niet meer kunnen vertellen hoe een neus eruit hoort te zien.

    Huid, haar en uitdrukking

    Als de verhoudingen kloppen, geeft de uitdrukking het portret zijn karakter. Die zit vooral in kleine dingen: de stand van de wenkbrauwen, de hoek van de mondhoeken en de lichte plooien rond de ogen. Zet ze zacht neer en met weinig lijnen. Een rimpel die te sterk is, maakt iemand meteen jaren ouder.

    Huid teken je met zachte overgangen. Werk met de zijkant van je potlood in plaats van de punt en vermijd harde randen waar schaduw in licht overgaat. Alleen bij oogleden, neusgaten en de scheiding van de lippen mag het donker en scherp zijn.

    Haar teken je in groepen. Zoek de grote lokken, geef die een eigen toon en laat het licht zien op de bovenkant. Losse haartjes komen als allerlaatste, en dan hooguit een handvol aan de rand. Wie elk haar tekent, krijgt een pruik. Bij oudere modellen helpt het om het wit van het papier voor grijs haar te laten staan en eromheen te schaduwen.

    Veelgemaakte fouten bij portret tekenen

    De meeste mislukte portretten mislukken op dezelfde manier. Herken je er een, dan is dat eigenlijk goed nieuws: het is meestal met één gerichte oefening op te lossen.

    1. De ogen te hoog. Zet ze op de halve hoogte van het hoofd.
    2. Elke zijde gelijk. Echte gezichten zijn nooit helemaal symmetrisch. Houd daar rekening mee en teken wat je ziet.
    3. Te veel contour. Een harde lijn rond het gezicht maakt het plat. Gebruik schaduw in plaats van een omtrek, behalve bij de ogen en lippen.
    4. Te vroeg detail. Elk wimperhaartje dat je vroeg tekent, moet je volgen met de rest.
    5. Alleen donker, geen licht. Met een kneedgum maak je lichte plekken terug. Plan ze, zodat je ze niet kwijtraakt.
    6. Te weinig afstand nemen. Leg je tekening elke tien minuten op afstand neer. Je ziet vergissingen sneller.

    Oefeningen om beter te worden

    Portret tekenen leer je door veel kleine oefeningen, niet door één perfect portret.

    • Contour zonder kijken. Teken een gezicht in één doorlopende lijn en kijk daarbij alleen naar je model. De tekening ziet er gek uit, maar je leert nauwkeurig waarnemen.
    • Snelle schetsen van vijf minuten. Teken familie of mensen in de tram. Je leert bijzaken weglaten.
    • Een oog per dag. Teken één oog uit vier kanten: recht, schuin, van opzij, vanaf boven.
    • Een meester kopiëren. Het Rijksmuseum bewaart in de online tekeningencatalogus 64 tekeningen van Rembrandt, waaronder portretten en figuurstudies. Neem er een, teken hem na en kijk hoe weinig lijnen genoeg zijn.
    • Zelfportret. Een spiegel, licht van de zijkant en een half uur is alle voorbereiding die je nodig hebt.

    Portret tekenen voor beginners: veelgestelde vragen

    Hoe begin ik met portret tekenen als beginner?

    Begin met een ovaal en lichte hulplijnen, en zet daarna ogen, neus en mond als simpele vlakken neer. Pas als de verhoudingen kloppen werk je details uit. Gebruik een foto met zacht zijlicht, een HB- en een 2B-potlood en een gum. Zo houd je portret tekenen overzichtelijk.

    Welke verhoudingen gelden bij het tekenen van een gezicht?

    De ogen zitten ongeveer op de helft van het hoofd, tussen de ogen past ongeveer één oog en de onderkant van de neus zit halverwege tussen ogen en kin. Het zijn richtwaarden. Gezichten verschillen, dus meet altijd na met je potlood en vertrouw op wat je ziet.

    Hoe teken ik een portret makkelijk?

    Met drie stappen: een ovaal met hulplijnen, de hoofdvormen van ogen, neus en mond, en daarna schaduw in lagen. Kies een eenvoudig model, bijvoorbeeld een foto van opzij belicht. Hoe minder details je in het begin tekent, hoe makkelijker portret tekenen wordt.

    Welk potlood gebruik ik voor een portret?

    Een set van HB, 2B en 4B volstaat. Gebruik HB voor de hulplijnen, 2B voor de middentonen en 4B voor de donkerste plekken. De gradaties verschillen per merk, dus oefen eerst een schaal van licht naar donker op een los blaadje.

    Kan ik een portret tekenen met houtskool?

    Ja, en het is een mooie manier om vlakken en schaduw te leren. Houtskool is zacht, veegt makkelijk uit en vergeeft fouten. Je hebt wel fixatief nodig om het resultaat te bewaren. Kies papier met wat structuur en teken liever groot dan klein.

    Kun je een portret tekenen met pastelkrijt?

    Dat kan. Pastelkrijt geeft warme huidtinten, maar je kunt niet gummen. Begin daarom met een lichte schets en bouw de kleur geleidelijk op. Getint papier geeft de huid een middentoon waar je op verder bouwt.

    Is er een boek of cursus voor portret tekenen?

    Er zijn veel goede boeken. Klassiekers zoals die van Andrew Loomis zijn nog steeds te vinden en worden veel gebruikt. Wil je het zonder cursus proberen, dan komt je met de oefeningen in deze gids al een heel eind. Een cursus is vooral handig als je feedback wilt op je eigen werk.

    Hoe lang duurt het om een portret te leren tekenen?

    Na een paar weken regelmatig oefenen herken je de verhoudingen en worden je gezichten overtuigender. Een goed portret in een uur is voor een beginner realistisch, en een uur per week is genoeg om te groeien. Het gaat om herhaling, niet om talent.

    Verder lezen

    Portret tekenen leer je door te kijken, te meten en vaak te herhalen. Wil je breder beginnen of juist een volgende techniek proberen? Deze pagina’s helpen je verder:

De waardering van ayoo.nl bij WebwinkelKeur Reviews is 8,7/10 gebaseerd op 255 reviews.