Kleuren mengen is minder ingewikkeld dan het lijkt. Met de drie primaire kleuren rood, geel en blauw, aangevuld met wit, meng je bijna elke tint die je nodig hebt. Geel en blauw geven groen, rood en blauw geven paars, rood en geel geven oranje. De kunst zit in de verhouding en in het toevoegen van kleine beetjes, niet in een grote verzameling tubes.
Staat je palet nog leeg, lees dan eerst ons overzicht schilderen voor beginners. Hieronder volgt de kleurenleer die je bij elke verfsoort nodig hebt.
Kort samengevat
- Rood, geel en blauw zijn de basis; samen met wit meng je bijna alles.
- Meng altijd donker in licht, in kleine beetjes. Donkere kleuren zijn sterk.
- Een kleur uit het kleurenwiel temper je met zijn complement, niet met zwart.
- Gebruik een warm en een koel exemplaar van elke primaire kleur voor zuivere mengsels.
- Verf droogt vaak donkerder op, dus meng iets lichter dan je wilt.
De basis: het kleurenwiel
Schilders gebruiken al eeuwen een kleurenwiel om te begrijpen welke kleur uit welke voortkomt. In het schildersmodel, dat Wikipedia in het overzicht van het kleurenwiel beschrijft, staan rood, geel en blauw als primaire kleuren op drie gelijke punten. Mengen van twee primaire kleuren geeft een secundaire kleur: oranje, groen of paars. Een primaire kleur met een naburige secundaire kleur geeft een tertiaire kleur, zoals geelgroen of roodoranje. Zo ontstaat een wiel van twaalf kleuren.
Waarom is dit nuttig? Omdat je kunt zien wat je gaat krijgen. Wil je een warmer groen, ga dan richting geel. Wil je een koeler groen, voeg dan een beetje blauw toe. Een nadere uitleg per wiel vind je bij de kleurencirkel en bij de kleurencirkel van Itten.
Warm en koel
Elke primaire kleur bestaat in een warme en een koele variant. Een warm geel leunt naar oranje, een koel geel naar groen. Een warm rood leunt naar oranje, een koel rood naar paars. Een warm blauw leunt naar paars, een koel blauw naar groen. Voor zuivere mengsels kies je de variant die het dichtst bij de gewenste kleur ligt: voor een helder groen meng je een koel geel met een koel blauw, voor een helder paars een koel rood met een warm blauw.
Gouden regels bij het mengen
Een paar vaste gewoontes besparen je veel verf en frustratie.
Begin met de lichte kleur
Voeg een beetje van de donkere kleur toe aan de lichte, niet andersom. Blauw en rood zijn sterke kleuren: een druppel is al snel genoeg om een hele hoeveelheid geel te veranderen.
Mix op je palet, niet op het doek
Meng op een palet en vergelijk het mengsel op een wit stukje papier. Mengen op het doek gaat soms prima, maar bij acryl droogt de verf snel, dus de beste mengsels maak je op het palet.
Gebruik zo min mogelijk kleuren
Hoe meer kleuren je door elkaar mengt, hoe grauwer het resultaat. Twee of drie kleuren per mengsel is meestal genoeg.
Houd rekening met opdrogen
Veel verf droogt iets donkerder op, vooral acryl. Meng je tint dus iets lichter dan je uiteindelijk wilt. Hoe dit werkt bij acryl lees je bij acrylverf.
Mengschema’s voor veelgevraagde kleuren
Hieronder staan richtverhoudingen. De uitkomst hangt af van je merk en je pigmenten, dus proef eerst op papier.
Groen mengen
Meng geel en blauw. Meer geel geeft een lenteachtig geelgroen, meer blauw een diep bosgroen. Een klein beetje rood of oranje maakt het groen rustiger en natuurlijker. Dat is handig voor gras en bladeren, want het groen uit een tube is vaak te fel. Wil je mintgroen of olijfgroen? Mintgroen krijg je met een beetje blauw, veel wit en een klein beetje geel. Olijfgroen maak je met geel, een klein beetje blauw en een druppel rood of bruin.

Paars mengen
Meng rood en blauw. Meer rood geeft een warm paars of magenta-achtig, meer blauw een koel violet. Voor een zacht lila voeg je wit toe. Een koel rood met een warm blauw geeft het levendigste paars. Paars met veel bruin erin wordt grijsachtig en bruikbaar voor schaduwen.
Oranje mengen
Meng geel en rood. Een warm geel met een warm rood geeft het helderste oranje. Meer geel geeft goudgeel, meer rood geeft roestoranje. Voeg een kleine hoeveelheid blauw toe en je krijgt een zacht bruinoranje, geschikt voor terracotta.
Bruin mengen
Bruin is een gedempte kleur en kan op meerdere manieren ontstaan. Meng een kleur met zijn complement, bijvoorbeeld oranje met blauw of rood met groen. Meer van de warme kleur geeft warmbruin, meer van de koele kleur geeft donkerbruin. Of begin met alle drie de primaire kleuren in ongeveer gelijke delen en bijstellen. Voeg wit toe voor beige of zand.
Grijs mengen
Een levend grijs maak je met blauw en bruin, of met een kleur en zijn complement, in een verhouding die het neutraal houdt. Dat geeft veel mooiere grijzen dan zwart met wit. Voeg je meer blauw toe, dan wordt het grijs koud, met meer bruin warm. Voor een heel donker bijna zwart meng je ultramarijn en gebrande sienna.
Zwart mengen
Een donkere kleur zonder zwart uit de tube maak je met ultramarijnblauw en gebrande sienna, of met donkere tinten van blauw en rood. Zo blijft de kleur levendiger en passen schaduwen beter bij de rest van je schilderij.
Huidskleur mengen
Er bestaat niet één huidskleur. Een gangbaar uitgangspunt is wit met een beetje geel en een kleine beetje rood. Voor een lichte huid begin je met veel wit en voeg je heel weinig oker en rood toe. Voor een donkere huid begin je met bruin en wissel je tussen warm en koel. Voeg een klein beetje blauw of groen toe voor schaduw. Houd het mengsel altijd licht en breng nuances aan, want een huid is nooit één kleur.
Beige, terracotta, roze en turquoise
Beige is wit met een beetje geel en bruin. Terracotta is oranje met bruin en een klein beetje wit. Roze is wit met een klein beetje rood. Turquoise is blauw met groen en veel wit.
Complementaire kleuren: de truc tegen fel en modderig
Kleuren die tegenover elkaar op het wiel staan, noemen we complementair: rood en groen, blauw en oranje, geel en paars. Het overzicht van Wikipedia over het kleurenwiel vermeldt wel dat complementaire kleuren op het wiel niet altijd precies samenvallen met de kleuren die je met pigment tot grijs mengt. In de praktijk werkt het principe goed genoeg om te gebruiken.

Je gebruikt het zo: is een kleur te fel, voeg dan een beetje van het complement toe in plaats van zwart of grijs. Een te knalgroen wordt rustiger met een druppel rood. Een te heldere lucht wordt gedempt met een beetje oranje. Meer uitleg vind je bij complementaire kleuren.
Waarom kleuren modderig worden
Modderige kleuren ontstaan meestal door een van drie dingen: te veel kleuren door elkaar, een vies penseel, of te veel complementair mengen zonder opzet. Dat is geen ramp. Stop met mengen als je kleur eenmaal goed is, veeg je penseel af tussen de mengsels en houd twee bakjes water bij de hand, een voor het afspoelen en een voor het schone water.
Oefening: een eigen kleurentabel maken
De beste manier om kleuren mengen onder de knie te krijgen, is een tabel maken met jouw eigen verf. Dat kost een uur en je gebruikt het jarenlang.

- Teken op een stuk papier een raster van zes bij zes vakjes.
- Zet in de bovenste rij je zes kleuren en in de linkerkolom dezelfde zes.
- Meng elk paar in gelijke delen en schilder het in het vakje.
- Maak een tweede rij waarin je steeds meer wit toevoegt.
- Schrijf er de kleurnamen bij en bewaar de tabel naast je ezel.
Je ontdekt zo meteen welke kleuren in jouw merk goed samenwerken, en welke nooit een mooi mengsel geven.
Kleuren mengen met een beperkt palet
Je hoeft niet veertig tubes te hebben om elke kleur te kunnen maken. Veel schilders werken met een beperkt palet van zes kleuren: een warme en een koele variant van rood, geel en blauw. Daarmee kun je bijna alle tinten mengen en blijft je werk harmonieus, omdat alle kleuren uit dezelfde bron komen.
- Rood: een warm rood (richting oranje) en een koel rood (richting paars).
- Geel: een warm geel (richting oranje) en een koel geel (richting groen).
- Blauw: een warm blauw (richting paars) en een koel blauw (richting groen).
- Wit om te verlichten, bij waterverf het papier zelf.
Met een koel geel en een koel blauw maak je een helder, fris groen. Met een warm geel en een warm blauw wordt het groen gedempter. Dat is precies het verschil dat je nodig hebt als je een gras- en een bladgroen naast elkaar wilt. Experimenteer eerst op papier voordat je op het doek begint.
Bruin, grijs en groen mengen zonder potje
Kant-en-klare tubes bruin, grijs of groen hoef je niet te kopen. Je maakt ze zelf, en dat levert levendiger kleuren op.
- Bruin mengen: meng oranje met een beetje blauw, of rood met groen. Meer blauw geeft een donkerder, koeler bruin. Meer oranje geeft een warm bruin.
- Grijs mengen: meng twee complementaire kleuren in gelijke delen, bijvoorbeeld blauw en oranje, en voeg wit toe. Het grijs krijgt zo een warme of koele toon.
- Groen mengen: begin met geel en voeg blauw in kleine hoeveelheden toe. Blauw is sterk, dus je hebt maar weinig nodig.
Let op de hoeveelheden. Voeg de sterkste kleur steeds in kleine beetjes toe aan de zwakkere, niet andersom. Anders heb je ineens een klont donkere verf en moet je veel toevoegen om de verhouding te herstellen.
Een kleurenwiel gebruiken als schema
Een kleurenwiel is een handig schema bij het mengen. Het laat zien welke kleuren naast elkaar liggen en welke tegenover elkaar. Kleuren die naast elkaar liggen, passen goed bij elkaar. Kleuren die tegenover elkaar liggen (complementair) versterken elkaar naast elkaar en dempen elkaar in een mengsel.
Je kunt een eigen tabel maken, zoals beschreven in de oefening hierboven, en die naast je schildersezel hangen. Zo vind je snel welke twee kleuren je nodig hebt voor oranje, paars of een gedempt groen. Voor meer achtergrond bij het schema lees je de pagina over de kleurencirkel en de verdieping bij de kleurencirkel van Itten.
Houd ten slotte rekening met het soort verf. Acrylverf droogt donkerder op dan het nat lijkt. Bij olieverf blijft de kleur hetzelfde, maar het mengen gaat langzamer. Bij waterverf maakt de hoeveelheid water de kleur lichter. Meng daarom altijd iets meer dan je denkt nodig te hebben, zodat je niet halverwege een vlak opnieuw moet mengen en de tint net anders uitvalt. Schrijf op een kladblad op welke verhoudingen je gebruikte; dan kun je een gelukte kleur later nog eens maken.
Mengen met meer controle: tint, toon en verzadiging
Wie leert kleuren mengen, richt zich meestal op de vraag welke twee kleuren samen een derde geven. Dat is een goed begin, maar je krijgt veel meer grip als je een kleur in drie eigenschappen kunt beschrijven: tint, toon en verzadiging. Met die drie kun je precies vertellen wat er aan je mengsel mist.
De drie eigenschappen
- Tint is de kleur zelf: rood, groen, blauw of een tussenvorm daarvan.
- Toon is hoe licht of donker de kleur is, los van de tint.
- Verzadiging is hoe zuiver of levendig de kleur is. Een vaal grijsblauw heeft dezelfde tint als een helder blauw, maar minder verzadiging.
Als een mengsel niet goed voelt, vraag je jezelf af welke van de drie niet klopt. Is hij te donker, dan gaat het om toon. Is hij te dof, dan gaat het om verzadiging. Is hij net de verkeerde richting op, dan gaat het om tint.
Toon aanpassen zonder de kleur kwijt te raken
Wit maakt een kleur lichter, maar ook koeler en minder verzadigd. Bij aquarel gebruik je geen wit: je voegt water toe. Zwart maakt donkerder, maar kan een kleur dood laten ogen. Veel schilders gebruiken liever een donkere kleur uit de buurt, zoals een diep blauw of bruin, om een mengsel dieper te maken. Probeer het zelf: meng een groen met zwart en daarna met een donkerblauw, en vergelijk beide.
Verzadiging verlagen
Wil je een kleur rustiger maken, voeg dan een beetje van de complementaire kleur toe. Een te fel groen wordt zachter met een druppel rood, een te fel oranje met een beetje blauw. Doe dit voorzichtig: een heel klein beetje is genoeg. Op die manier houd je de kleur levend, in plaats van dat je hem grijs verft. Meer over die tegenhangers lees je bij complementaire kleuren.
Een eenvoudige schaal als oefening
Teken een rij van negen vakjes. Zet links de zuivere kleur en rechts de donkere versie, en vul de vakjes ertussen met mengsels. Doe daarna hetzelfde met wit, en daarna met de complementaire kleur. Je krijgt zo een kaart die laat zien wat je met een kleur kunt doen. Hang hem boven je werkplek. Wil je een overzicht van de kleuren zelf, kijk dan bij kleurencirkel.
Veelgestelde vragen over kleuren mengen
Welke kleuren heb ik nodig om alle kleuren te mengen?
Met een warm en koel exemplaar van geel, rood en blauw, plus titaanwit, kom je ver. Een aardkleur zoals gebrande sienna is een prettige aanvulling. Dat zijn zeven tubes.
Hoe meng ik groen?
Meng geel en blauw. Meer geel geeft geelgroen, meer blauw donkergroen. Een druppel rood maakt het groen natuurlijker.
Hoe meng ik bruin?
Meng een kleur met zijn complement, zoals oranje met blauw. Of meng de drie primaire kleuren ongeveer gelijk en pas bij.
Hoe meng ik paars?
Meng rood en blauw. Een koel rood met een warm blauw geeft het levendigste paars.
Hoe meng ik huidskleur?
Begin met wit, voeg een beetje geel en een klein beetje rood toe en pas aan. Voor een donkerder huid begin je met bruin. Pas altijd in kleine stapjes aan.
Waarom wordt mijn mengsel grijs of modderig?
Meestal omdat er te veel kleuren in zitten of omdat complementaire kleuren te veel zijn gemengd. Beperk je tot twee of drie kleuren per mengsel.
Kun je zwart zelf mengen?
Ja, met ultramarijnblauw en gebrande sienna krijg je een donkere, levendige tint. Zwart uit de tube blijft handig, maar maakt kleuren sneller dof.
Is kleuren mengen met acryl anders dan met olieverf?
Het principe is gelijk. Acryl droogt sneller, dus je moet vlugger mengen en het wordt iets donkerder als het droogt. Olieverf geeft je langer de tijd.
Verder lezen
Kleuren mengen leer je door te doen. Pak je basiskleuren, maak een kleurentabel en kijk wat jouw merk doet. Wil je dieper in de kleurenleer, lees dan verder over complementaire kleuren, de kleurencirkel en de kleurencirkel van Itten. Terug naar het overzicht kan altijd via schilderen voor beginners.
