De kwintencirkel is een schema waarin de twaalf toonsoorten in een cirkel staan, telkens een kwint van elkaar. Draai je rechtsom, dan komt er bij elke toonsoort een kruis bij. Draai je linksom, dan komt er een mol bij. Zo zie je meteen hoeveel kruisen of mollen een toonsoort heeft en welke toonsoorten het meest op elkaar lijken.
Voor beginners lijkt de kwintencirkel ingewikkeld, maar hij is eigenlijk een soort ezelsbrug. Wie hem kent, hoeft niet elk toonsoort afzonderlijk te onthouden. Dit artikel legt stap voor stap uit hoe de cirkel is opgebouwd, hoe je kruisen en mollen afleest, welke akkoorden bij elkaar horen en hoe je hem uit je hoofd leert. Heb je eerst wat basis nodig? Begin dan met de pagina over muziektheorie of de uitleg over toonladders.
Kort samengevat
- De kwintencirkel zet de twaalf toonsoorten in een cirkel, steeds een kwint (vijf noten) verder.
- Rechtsom komt er per stap een kruis bij: G heeft er één, D twee, A drie enzovoort. Linksom komt er een mol bij.
- Boven staat C-majeur zonder kruisen of mollen. De bijbehorende parallelle mineur is a-mineur.
- Naastgelegen toonsoorten delen zes van hun zeven tonen en klinken daardoor goed samen.
- Je kunt hem gebruiken om toonsoorten te herkennen, te transponeren en akkoorden te kiezen die bij elkaar passen.
Wat is de kwintencirkel?
Volgens Wikipedia laat de kwintencirkel zien hoe toonsoorten met elkaar samenhangen in de gelijkzwevende temperatuur. Twee toonsoorten die een kwint uit elkaar liggen, zijn het nauwst verwant: ze delen zes van hun zeven tonen. Zet je de toonsoorten in een reeks van kwinten, dan sluit die reeks na twaalf stappen (na het enharmonisch verwisselen van de uiteinden) tot een cirkel. Volgens dezelfde bron gebruikte Johann David Heinichen de cirkel voor het eerst in 1728.
Een kwint is de afstand tussen de eerste en vijfde toon van een toonladder, bijvoorbeeld van c naar g. Op de piano is dat zeven halve tonen. Begin je op c en ga je steeds een kwint omhoog, dan krijg je c, g, d, a, e, b, fis, cis, enzovoort. Na twaalf stappen ben je (in naam, niet in hoogte) terug bij het begin. Dat is de cirkel.
Wat kun je ermee?
De cirkel beantwoordt vier vragen:
- Hoeveel kruisen of mollen heeft deze toonsoort?
- Welke toonsoort is verwant aan de mijne?
- Welke akkoorden passen bij elkaar in een liedje?
- Hoe zet ik een liedje over naar een andere toonsoort?
Die vragen horen bij muziektheorie, maar je gebruikt ze ook als je gewoon liedjes wilt leren spelen.
Zo lees je de kwintencirkel
Zet C-majeur bovenaan. C heeft geen kruisen of mollen. Dat is je beginpunt.
Rechtsom (met de klok mee) ga je een kwint omhoog en komt er bij elke stap een kruis bij: G-majeur heeft één kruis, D-majeur twee, A-majeur drie, E-majeur vier, B-majeur vijf, Fis-majeur zes en Cis-majeur zeven.
Linksom (tegen de klok in) ga je een kwint omlaag en komt er bij elke stap een mol bij: F-majeur heeft één mol, Bes-majeur twee, Es-majeur drie, As-majeur vier, Des-majeur vijf, Ges-majeur zes en Ces-majeur zeven.
Onderaan ontmoeten de twee kanten elkaar. Fis-majeur en Ges-majeur klinken op de piano hetzelfde, maar worden anders genoteerd. Dat heet enharmonisch.
| Toonsoort (majeur) | Voortekening | Parallelle mineur |
|---|---|---|
| C | geen | a |
| G | 1 kruis | e |
| D | 2 kruisen | b |
| A | 3 kruisen | fis |
| E | 4 kruisen | cis |
| F | 1 mol | d |
| Bes | 2 mollen | g |
| Es | 3 mollen | c |
| As | 4 mollen | f |
De tabel laat de eerste, meest gebruikte toonsoorten zien. De voortekening van de mineur is gelijk aan die van de majeur ernaast: a-mineur heeft net als C-majeur geen kruisen of mollen, e-mineur heeft net als G-majeur een kruis.
Welke kruisen en mollen krijg je?
De kruisen komen altijd in dezelfde volgorde: F, C, G, D, A, E, B. Elk nieuw kruis ligt een kwint hoger dan het vorige. G-majeur heeft dus een kruis op de F (fis). D-majeur heeft fis en cis. Zo ga je door.
De mollen komen in de omgekeerde volgorde: B, E, A, D, G, C, F, ofwel Bes, Es, As, Des, Ges, Ces, Fes. Elke nieuwe mol ligt een kwint lager. Een ezelsbruggetje uit de bron voor de mollen is de zin “Friese Boeren Eten Alle Dagen Gele Citroenen”. Bedenk er gerust zelf een.
Een snelle regel voor de toonsoort
Zie je een stuk muziek met kruisen in de voortekening, dan is de toonsoort een halve toon hoger dan het laatste kruis. Staan er bijvoorbeeld twee kruisen (fis en cis), dan is het laatste kruis cis en is de toonsoort D-majeur. Bij mollen geldt: de toonsoort is de op een na laatste mol. Staan er bijvoorbeeld twee mollen (bes en es), dan is de toonsoort Bes-majeur. Eén mol is de uitzondering: dat is altijd F-majeur. Met deze regels zie je binnen enkele seconden welke toonsoort bij een stuk hoort.
Majeur en mineur in de kwintencirkel
In een volledige kwintencirkel staan twee ringen. De buitenring toont de majeurtoonsoorten, de binnenring de mineurtoonsoorten. Elke majeur heeft een parallelle mineur met dezelfde voortekening. Je vindt de parallelle mineur door drie halve tonen (een kleine terts) onder de majeurgrondtoon te gaan, of door de zesde toon van de majeurladder te nemen. In C-majeur is dat a, dus a-mineur. In G-majeur is het e, dus e-mineur.
Op de kwintencirkel staan ze naast elkaar: C buiten, a binnen. G buiten, e binnen. Zo hoef je maar één lijst te onthouden en lees je beide toonsoorten af.
Parallelle toonsoorten en gelijknamige toonsoorten
Let op het verschil tussen parallelle en gelijknamige toonsoorten. Parallelle toonsoorten (C-majeur en a-mineur) delen dezelfde voortekening maar hebben een andere grondtoon. Gelijknamige toonsoorten (C-majeur en c-mineur) delen de grondtoon maar hebben een andere voortekening. Bij een gelijknamige mineur komen er drie mollen bij ten opzichte van de majeur. In liedjes komt het soms voor dat een stuk van majeur naar de gelijknamige mineur wisselt voor een donkerder couplet.
Akkoorden kiezen met de kwintencirkel
De kwintencirkel is ook een kaart voor akkoorden. De regel: akkoorden die naast elkaar staan in de cirkel passen goed bij elkaar. Neem je C als thuisakkoord, dan zijn de buren F (links) en G (rechts). Samen vormen ze de drie belangrijkste akkoorden van C-majeur: de tonica (C), de subdominant (F) en de dominant (G). Met de mineurkant erbij (Am, Dm, Em) heb je de zes akkoorden die in C-majeur het vaakst voorkomen.
Zo vind je voor een toonsoort snel de akkoorden:
- Zoek de toonsoort op de buitenring.
- Neem de toon zelf, de toonsoort links en de toonsoort rechts als drie majeur akkoorden.
- Neem de drie bijbehorende mineurtonen uit de binnenring voor de mineur akkoorden.
Voor G-majeur levert dit G, C en D als hoofdakkoorden en Em, Am en Bm als mineur akkoorden. Dat is een praktische richtlijn voor eenvoudige liedjes. Meer over de akkoorden zelf lees je bij akkoorden en akkoorden piano.
Transponeren met de kwintencirkel
Is een liedje te hoog of te laag om te zingen? Dan zet je het over naar een andere toonsoort, wat transponeren heet. Met de cirkel tel je hoeveel stappen je schuift. Gaat het liedje van C naar D, dan verplaats je elk akkoord twee halve tonen omhoog: C wordt D, F wordt G, G wordt A, Am wordt Bm. Zo blijft de verhouding tussen de akkoorden gelijk.
De kwintencirkel uit je hoofd leren
Leer de cirkel in kleine stukken. Een werkwijze die voor veel mensen werkt:
- Leer de volgorde van de kruisen (F, C, G, D, A, E, B) met een zin.
- Leer de mollen in omgekeerde volgorde.
- Teken de cirkel zelf op een blanco blad. Begin met C bovenaan en vul rechtsom G, D, A, E, B in. Controleer dan met de bron.
- Oefen elke dag drie willekeurige toonsoorten. Noem de voortekening en de parallelle mineur.
- Gebruik een hulpmiddel. Een kwintencirkel pdf om af te drukken, een draaiende kwintencirkel (een kartonnen klok met draaischijf) of een app kan helpen bij het onthouden. Het is een hulpmiddel, geen vervanging voor oefenen.
Plan korte sessies van vijf minuten. Na een paar weken herken je de toonsoorten bijna automatisch. Dat is een richtwaarde.
Waar vind je de kwintencirkel in de praktijk?
Op de piano, gitaar en andere instrumenten gebruik je dezelfde cirkel. Gitaristen gebruiken hem om akkoorden bij te zoeken, pianisten om toonladders te kiezen en zangers om hun toonsoort te bepalen. Ook in programma’s als digitale muziekstudio’s vind je hem terug om toonsoorten te kiezen.
Veelgemaakte fouten met de kwintencirkel
Wie begint met de kwintencirkel loopt vaak tegen dezelfde dingen aan. Ze zijn gelukkig makkelijk te herkennen.
- Kruisen en mollen door elkaar halen. Onthoud: rechtsom (met de klok mee) zijn het kruisen, linksom (tegen de klok in) zijn het mollen.
- Een kwart voor een kwint aanzien. Een kwint is vijf noten omhoog (c naar g), een kwart vier noten (c naar f). Ga je in de cirkel een kwint omhoog, dan ga je rechtsom. Een kwint omlaag is hetzelfde als een kwart omhoog en brengt je linksom.
- De mineur vergeten. De cirkel is niet alleen voor majeur. Controleer bij elk stuk of de bijbehorende mineur net zo goed past.
- De voortekening als losse lijst leren. Leer de volgorde van de kruisen en mollen als geheel, niet als twaalf losse feiten.
- Te veel willen. Begin met de toonsoorten tot drie kruisen of mollen. Dat zijn de meeste toonsoorten die je in beginnersmuziek tegenkomt.
Merk je dat het niet blijft hangen? Speel dan elke dag een toonladder in een nieuwe toonsoort en benoem de kruisen of mollen terwijl je speelt. Een instrument in je handen maakt de theorie tastbaar.
Veelgestelde vragen over de kwintencirkel
Wat is de kwintencirkel?
De kwintencirkel is een schema waarin de twaalf toonsoorten op een cirkel staan, telkens een kwint van elkaar. Hij laat zien hoeveel kruisen of mollen een toonsoort heeft en welke toonsoorten het nauwst verwant zijn.
Hoe lees je de kwintencirkel?
Begin bij C boven aan de cirkel, zonder kruisen of mollen. Ga je rechtsom, dan komt er per stap een kruis bij. Ga je linksom, dan komt er per stap een mol bij. De binnenring toont de parallelle mineurtoonsoort van elke majeur.
Wat is de volgorde van kruisen en mollen?
De kruisen komen in de volgorde F, C, G, D, A, E, B. De mollen komen in de omgekeerde volgorde: B, E, A, D, G, C, F, ofwel Bes, Es, As, Des, Ges, Ces, Fes. Je kunt hem onthouden met een zin of ezelsbruggetje.
Hoe vind je de parallelle mineur van een majeur toonsoort?
Ga drie halve tonen omlaag vanaf de grondtoon van de majeur, of neem de zesde toon van de majeurladder. Bij C-majeur is dat a-mineur, bij G-majeur e-mineur. Ze hebben dezelfde voortekening.
Wat is een ezelsbruggetje voor de kwintencirkel mineur?
Je kunt de mineurtoonsoorten onthouden door elke majeur te koppelen aan zijn parallelle mineur: C en a, G en e, D en b, A en fis. Zeg ze hardop als paren. Een eigen zin of rijmpje werkt het best, want een ezelsbruggetje onthoud je pas echt als het van jou is.
Waarvoor gebruik je de kwintencirkel?
Je gebruikt hem om toonsoorten te herkennen, kruisen en mollen te onthouden, te transponeren en akkoorden te kiezen die bij elkaar passen. Muzikanten gebruiken hem ook bij het schrijven van liedjes.
Kun je de kwintencirkel kopen of afdrukken?
Er bestaan gedrukte kwintencirkels, draaischijven en pdf’s om zelf af te drukken. Ze helpen als geheugensteun. Je kunt de cirkel ook zelf tekenen, wat bij veel mensen beter blijft hangen dan een kant-en-klaar exemplaar.
Hoe lang duurt het om de kwintencirkel te leren?
Met vijf minuten oefenen per dag lukt het veel beginners om in enkele weken de eerste toonsoorten te kennen. Zie dit als een richtwaarde. Het gaat om herhaling, niet om snelheid.
Verder lezen
De kwintencirkel is een hulpmiddel bij het begrijpen van toonsoorten. Ga verder met deze pagina’s:
